Niet meer produceren, maar een ander voedselbeleid introduceren!

De wereld heeft honger. Verschillende actoren zoals milieuactivisten of agro-multinationals stellen oplossingen voor om het voedselprobleem in ontwikkelingslanden aan te pakken. Het debat wordt vaak herleid tot de keuze tussen grootschalige of kleinschalige landbouw. Maar zal de honger van de mens gestild worden door de voedselproductie te verhogen? Sommige agro-ecologisten stellen dat er genoeg voedsel is om de wereld te voeden, maar dat het voedsel de mensen gewoonweg niet bereikt.

Elke ochtend word ik wakker,  zet ik me aan een rijkelijk gevulde tafel en eet ik mijn buikje rond. Dat beeld staat in schril contrast met een groot deel  van de wereld die honger lijdt. Ontwikkelingslanden worstelen nog steeds om hun bevolking behoorlijk te kunnen voeden. 98 % van alle ondervoede mensen woont in Sub-Sahara Afrika en Azië en twee derde daarvan komt uit landen zoals Bangladesh, Congo en India stelt een rapport van de VN voedsel- en landbouworganisatie.

Voedselproblemen houden de mens wakker sinds het begin van de mensheid. De bezorgdheid over voedselzekerheid bereikte een hoogtepunt aan het begin van de 19e eeuw. Thomas Malthus, een Britste econoom, stelde toen dat de groeiende populatie onmogelijk gevoed zou kunnen worden door de beschikbare landbouwgrond. De grootste kritiek op zijn werk is dat hij geen rekening hield met het vernuft van de mens. Dat blijkt uit de vooruitgang die later plaatsvond. In de 19de eeuw slaagden wetenschappers erin om het kweken van nieuwe plantensoorten te optimaliseren en pesticide en kunstmest te ontwikkelen. Die veranderingen verbanden  hongersnood tot het verleden in geïndustrialiseerde samenlevingen.

De Groene Revolutie

Bill-Melinda-Illustratie-2

Verrekijkers Magazine – Isabelle Gheldolf

Deze vooruitgang was amper aanwezig in Latijns-Amerika en Azië. De koloniale machten investeerden niet in het voedselsysteem van deze landen. Na de  onafhankelijkheid in de jaren zestig groeide hun bevolking aan in een hoog tempo en zo werd deze periode getekend door hongersnood zoals in India in 1966.

Om de honger te bestrijden in ontwikkelingslanden nam o.a. de Rockefeller foundation het voortouw om internationaal landbouwonderzoek op te stellen. Ze zetten  voornamelijk onderzoek op poten naar rijst en tarwe, de twee belangrijkste voedselgewassen in ontwikkelingslanden.

Onderzoekers slaagden er bijvoorbeeld in om de voedselopbrengst te verhogen door variëteiten te kweken die meer opbrengen, kunstmest en andere chemische producten te gebruiken en irrigatie toe te passen. De nieuwe methoden zorgden ervoor dat in de regio’s enorm veel voedsel geproduceerd werd. Een heuse ‘Groene Revolutie’ vond plaats. Het inkomen van de boeren steeg, wat de economie van de landen ten goede kwam.

In India bijvoorbeeld, leefden in het midden van de jaren zestig meer dan de helft van de rurale bevolking onder de armoedegrens. Na de Groene Revolutie daalde dat cijfer tot 1993 tot een derde stelt het onderzoeksrapport Green Revolution: curse or blessing van het International Food Policy Research Institute.

Maar de Groene Revolutie bracht een heleboel problemen met zich mee. Inkomensongelijkheid en absolute armoede vergrootten. Het milieu lijdt nog steeds sterk onder de landbouwmethodes die de revolutie promootte: het excessief gebruik van mest en pesticides vervuilt waterwegen, vergiftigt landbouwers, doodt insecten en wildleven. De biodiversiteit in landbouw is sterk afgenomen, omdat er nu slechts enkele graansoorten verbouwd worden.

De voedselproductie doen stijgen?

Er zijn duidelijk voor- en nadelen van de Groene revolutie. Maar vandaag kan  voedselzekerheid nog steeds niet worden gegarandeerd in regio’s zoals Sub-Sahara Afrika waar eigenlijk geen landbouwrevolutie heeft plaatsgevonden. Wat voor beleid moet genomen worden om gemeenschappen te voeden en ze weerbaar te maken tegen de uitdagingen die het milieu en het klimaat stellen?  De meeste belanghebbenden in het debat stellen voor om de productie te verhogen door middel van klein- of grootschalige landbouw.

Een bepleiter van kleinschalige landbouw is milieuactiviste Vandana Shiva. Ze  werkt al meer dan 22 jaar aan de biologische landbouwbeweging in India via haar organisatie Navdanya Trust. Shiva spreekt over de hele wereld over het verband tussen duurzame landbouw, klimaatsverandering en de verlichting van armoede.

In een interview met Worldwatch India zegt Shiva dat lokale boerderijen meer voedsel produceren dan grote industriële boerderijen omdat de boeren meer aandacht geven aan de grond en de planten. Ze telen een variëteit aan gewassen en gebruiken geen chemische pesticiden of meststoffen. Op die manier worden insecten, dieren en planten niet bedreigd.

Grootschalige landbouw aan de andere kant haalt zijn voordeel uit het feit dat ze op grote schaal produceert waardoor de overschotten op de (wereld)markt verkocht kunnen  worden. Ook  is er een belangrijk sociaal aspect. Als er geïnvesteerd wordt in grootschalige landbouw in een regio haalt de omwonende bevolking, door middel van de provisie van publieke goederen, daar voordeel uit.

Het onderzoeksrapport Who will feed te world? van Oxfam beschrijft een investeringsproject in de rubber-, cacao- en koffieproductie in de Democratische Republiek Congo dat ervoor zorgt dat de boeren en de mensen uit de buurt toegang krijgen tot een hospitaal met 230 bedden, zuiver water, elektriciteit en lagere en middelbare scholen.

De meest elementaire taak van een voedselsysteem

Bill-Melinda-Illustratie-3

Verrekijkers Magazine – Isabelle Gheldolf

Het rapport van Oxfam besluit dat een combinatie van klein- en grootschalige landbouw het beste model voor de toekomst is. Andere wetenschappers stellen dat we ons niet eens zorgen moeten maken om de voedselopbrengst te verhogen. Volgens hen moeten we eerst de politieke problemen die voorkomen dat voedsel de mensen bereikt  aanpakken.

Eric Holt-Giménez is een agro-ecologist en politiek econoom. In een lezing aan de universiteit van Amsterdam in 2013 legde hij uit dat er al decennialang genoeg te eten is voor iedereen: de voedselproductie stijgt jaarlijks namelijk met 12% per capita.

Maar tegelijkertijd neemt de honger en ondervoeding toe. Dat komt enerzijds doordat het meeste voedsel naar auto’s gaat als biobrandstof of verwerkt wordt tot voeder voor dieren in industriële slachterijen. Anderzijds zijn mensen te arm om eten te kopen, omdat er woekerprijzen heersen.

Dat heeft geleid tot voedselrellen zoals in 2008 in Haïti. Opvallend was dat de kwade, hongerige massa niet storm liep op de voedselbevoorradingsruimte, die door de VS werd opgericht, maar op de regeringsgebouwen. Ze wilden de eerste minister afzetten. Ook de Arabische Lente is gestart door een voedselrel: de straathandelaar die zichzelf in brand stak in Tunesië verkocht groenten en fruit. Die mensen hebben een politiek doel, namelijk rebelleren tegen het huidige voedselsysteem dat zijn meest elementaire taak niet kan vervullen: het voedsel tot bij de mensen brengen.

Amartya Sen, die onder ander de nobelprijs voor economie kreeg, toont aan dat hongersnood niet veroorzaakt wordt door een voedseltekort, maar door armoede. Een nieuwe literatuurstudie suggereert dat die op zijn beurt bestrijd kan worden door landbouw te verbeteren. Dat betekent dat het debat rond voedselzekerheid geen of-of verhaal, maar een en-verhaal is. Wanneer voorstanders van klein- en grootschalige landbouw en politieke hervorming hun krachten bundelen, zal hun gemeenschappelijk doel van de honger in de wereld te stillen sneller bereikt worden.

© 2015 – Verrekijkers Magazine  Isabelle Gheldolf (tekst), Karen Devroe (illustraties)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *