Column

Wie leeft mee met de meelever van de inlever?

Met enkele maanden vertraging was het ons dan toch gelukt: de heer Alexis L., man van middelbare leeftijd, Congolees en statisticus, was in Antwerpen beland. Waar, dat wist niemand, totdat we op een zekere maandagmorgen telefoon kregen vanuit één van de buitencampussen. “Goedemiddag, hier bij mij staat een persoon, luisterend naar de naam Alexis L., ik geef hem even door.” – “Allô bonjour, tu sais, je suis totalement perdu!” Een beter begin van een zakelijke inleefreis kon je je amper indenken. Niet enkel voor de inlever, maar ook voor de meelever van deze inlever zou het een mooie en boeiende periode worden.

Daar zat hij dan, verscholen achter de schermen van een desktop en een laptop, turend naar twee maal tientallen kolommen en een duizendtal rijen, vol met ‘data’. Het leven van een statisticus lijkt misschien wat saai, maar gestructureerd is het zeker; alles valt onder te brengen in vakjes. Maar waar in zijn geraffineerd raderwerk van data bevond Antwerpen zich; beviel de stad en zijn inwoners hem; en vooral, had hij dat alles al een plaatsje gegeven? De vraag rechtstreeks stellen leek me wat te doorzichtig, daarom observeerde ik…
Ondanks het zwoele winterweer van de maand november, had hij het toch wel redelijk koud: meermaals stormde hij ingeduffeld onder trui en vest briesend het bureau binnen. “Il fait tellement froid”, voorafgegaan door een oerkreet die je enkel nog in een diepe midden-Afrikaanse jungle hoort. Als tegemoetkoming draaide ik de verwarming op de maximumstand ‘5’ en zelfs soms een beetje verder tot het plastic krakende geluiden begon te produceren.
Ook ons alom vertrouwd ‘smoske met kaas of hesp’ voor tijdens de lunchbreak werd door onze gast alle eer aangedaan: elke keer hij er zich aan waagde, wist ik precies aan al dat gesmos waar hij die namiddag was geweest. Naast eten ook drinken; klontjes werden met papiertje en al –dus inclusief het nieuwe UA-logo– in de koffie ondergedompeld en weer opgevist, waarna de secretaresse die dit gade sloeg in een bulderlach schoot. Moest dit nu per se díe secretaresse zijn die bevoegd was voor zijn beurs waarbij hij zo’n mal figuur moest slaan.
En dan was er nog dat telefoontje naar het ministerie om zijn visa verder in orde te maken. Je kent dat wel. Telefoontjes waarbij je al je officiële documenten voor je uitspreidt, elke belangrijke nummer met rood omcirkelt en je jezelf de vraag stelt wat je precies vragen zal. Dat had ik hem beter op voorhand verteld, want na wat onduidelijk gestamel omtrent wie hij was en waarvoor hij belde, sloeg het noodlot toe: in geen tijd werd hij neergesabeld door een salvo van vragen die identiteitsnummers, paspoortgegevens, officiële referentiecodes en adressen opeisten. En telkens wanneer hij enig idee had wat ze juist bedoelden, bleek dat papier onvindbaar of onbereikbaar, zoals die boekentas op de grond waarnaar hij vanop zijn buTHEMAreaustoel enkel reiken kon. Snakkend naar adem opende hij met zijn rechterhand deze en gene map, terwijl door de linker de hoorn extra hard tegen de slaap en mond werd geduwd, herhaaldelijk mummelend ‘un instant s.v.p. un instant’. Als oplossing uit deze chaos werd voorgesteld gewoon even terug te bellen naar een specifiek nummer waarbij de telefonische wachtlijst omzeild kon worden. ‘Merde’, als kers op de taart bleek in de weidse omgeving geen balpen te bespeuren. Zeker wetende dat die zich ergens moest bevinden, werd de laptop bij de horens (lees: het scherm) genomen en met één hand een halve meter de lucht in gezwierd van waarachter plots een balpen tevoorschijn kwam. Driftig kladde hij het nummer neer en even later met een zucht ook de hoorn. Een zweetdruppel parelde op zijn voorhoofd; wat een stressvolle beleving moet zo’n Antwerpse inleving wel niet zijn voor een Congolees.

Maar hoe verging het ondertussen de zelfverklaarde meelever van deze inlever? Je kan wel verstaan dat tijdens dergelijke episodes van druk officieel telefoonverkeer je maar met moeite gefocust kan blijven op je eigen dagtaak. Echter, dit vormde slechts het tipje van de ijsberg. De eigenlijke ijsberg –’t is trouwens een wonder dat die met dergelijke binnenhuistemperaturen overeind kon blijven– bestond uit de totaal andere omgevingsbeleving van wat als een werkplek moest doorgaan. Voor de auteur van dit schrijfsel betekent dit voornamelijk een oase van rust waar ideeën gestaag tot volledige wasdom kunnen rijpen. Echter, dit was buiten de Congolese waard gerekend: werken kan je toch niet zonder de vrolijke muziek van Radio France International op de achtergrond, noch zonder het af en toe eens downloaden en afspelen van wat zwoele Afrikaanse ritmes ter afwisseling. Daarnaast betekent werken toch ook ‘het doen aan networking’, waarbij de telefoonfrequentie het succes ervan aanduidt. Simpele trucjes als het hebben van twee gsm’s worden hierbij gerust getolereerd. En succes had hij: van bij de eerste tot de laatste dag stond de telefoon roodgloeiend met ‘businesscontacten’ uit Kinshasa, Brussel, Amsterdam, Delft, Parijs en Bamako. En ik mocht steeds als eerste opnemen, om nadien secretaresse-gewijs de hoorn door te geven; mijn netwerk is blijkbaar niet zo uitgebreid. Tenslotte moest er toch ook wel echt gewerkt worden. Hierbij werd het volume van de ingebouwde computerluidspreker gehanteerd (in dit geval dus van de twee computers); door dit volume luid genoeg te zetten konden alle aanwezigen in de ruimte elk klikje, tabje of foutmelding aanhoren en met gerust gemoed concluderen ‘ha hier wordt hard gewerkt’.
Ja, hij blijkbaar wel, maar ik, ik deed geen bal; ik observeerde, zweeg en berustte. Achteraf beschouwd, vraag ik me af of mijn Congolese inlever wel enig medeleven verdiende, en zo ja, wie zich dan wel bekommerde om de meelever van deze inlever. Een vraagje waaraan USOS gerust wat meer aandacht zou mogen besteden, wanneer deze zomer opnieuw een 20tal inlevers in evenveel Congolese en Marokkaanse meeleefgezinnen worden gedropt.

Wim Marivoet