Terugblik op een inleefreis...

Een interview met Pepijn Viaene

In de maand augustus van het jaar 1995 vertrok de eenentwintigjarige Pepijn met USOS op inleefreis naar India. Nu, elf jaar later, woont hij met zijn piepjong gezinnetje in Brussel waar hij werkt als directeur van een bi-communautair Centrum voor Algemene Welzijnszorg. Hij is getrouwd met Emilie en samen hebben ze twee kinderen. Luna, zijn dochter van drie en een half jaar oud, hangt al direct aan mijn been. Het lijdt geen twijfel dat ze volop haar grenzen aan het aftasten is en als ik even met haar alleen ben, krijg ik de volle inhoud van haar appelsapje over mij heen. Een echte deugeniet. Pepijns jongere zoontje, Josaphat, negen maanden oud, ligt hemels te soezen... Voor het interview trekken we wijselijk naar het bureautje dat enkele verdiepingen hoger ligt in het appartementsgebouw. Zo kunnen we ongestoord beginnen.

Een mengvorm van culturen

DE INLEEFREIS

Weet je nog waarom je besloot om op inleefreis te gaan?

Pepijn Viaene: Nee, absoluut niet. Ik was wel betrokken geraakt bij de Universitaire Stichting voor Armoedebestrijding, kortweg USAB. USAB was eigenlijk het broertje van USOS en vermits de activiteiten van USOS en USAB zich vaak in hetzelfde gebouw afspeelden, was het niet verwonderlijk dat ik ook met USOS in aanraking kwam. Het was doordat Gerlinde (Verbist; toenmalig landenverantwoordelijke voor India, DW) me vroeg of ik interesse had om mee op inleefreis te gaan dat ik met het idee begon te spelen. Toen ik begreep dat die inleefreis zich eind augustus en begin september zou afspelen, heb ik zelfs eerst geantwoord dat ik misschien in september ging windsurfen maar dat ik er wel eens over zou nadenken. Ik was nogal gepassioneerd door die sport en ik had bovendien geen beeld van wat zo’n inleefreis zou kunnen zijn.

Voelde je jezelf goed voorbereid op de inleefreis naar India?

PV: Ik weet niet meer of ik er al van de eerste voorbereidingen bij was. De weekenden zijn mij wel bijgebleven natuurlijk. Verder heb ik een boek van Finkelkraut gepresenteerd dat ging over de ‘Volksgeist’, het stamdenken en het universele gedachtengoed. Maar wat ik het allerbelangrijkste vond, was het bezoek aan het Centrum Kauwenberg waarbij achteraf de koppeling werd gemaakt tussen Derde en Vierde Wereldproblematiek.Goed voorbereid voelde ik me echter niet, maar dat lag ook aan mijzelf. Ik zal niet zeggen dat ik me niet met honderd percent heb ingezet. maar ik had me wel beter kunnen inwerken.

Herinner je je nog veel van de inleefervaring zelf?

PV: Ik herinner mij daar nog vrij veel van. In vijf weken zie je enorm veel, ervaar je enorm veel, voltrekken er zich ontzaglijk veel feiten. Zelfs nu zijn er gebeurtenissen die ik nog altijd niet begrijp. Een bizar voorbeeld. Bij aankomst in de luchthaven van Dehli hadden we dadelijk een taxi en voor ik het besefte waren we op onze bestemming. Ik stond er versteld van hoe gemakkelijk het allemaal ging. Mijn beeld van India was een land in chaos en toch waren er een heel aantal zaken die vlot verliepen. Op dat moment liet ik de dingen op mij afkomen, ik beleefde ze. Pas achteraf ben ik mij daarover beginnen verbazen. Zin voor avontuur had ik dus wel, maar had ik de dingen bewuster beleefd en meer in vraag gesteld, dan had ik er meer uit kunnen halen. Op een gegeven moment waren we in de streek van Orisa op een site. Het was er desolaat, geen mens te bespeuren en toch stond het daar vol met beeldjes van olifanten. De olifant is in India een echte godheid. Op dat moment heb ik niet gevraagd aan iemand wat dat nu juist te betekenen had. Dat is een voorbeeld van een gemiste kans.

Welke invulling denk je dat die inleefervaring voor jou gekregen heeft? Wat houd je er nu aan over?

PV: Ik heb geleerd dat veel zaken niet te begrijpen zijn. Interculturele projecten gaan daardoor vaak hun eigen leven leiden, krijgen een eigen dynamiek en dat is juist het interessante aan de wisselwerking tussen culturen. Zo was die inleefreis van vijf weken een hybride situatie waarin je zaken niet zomaar uit elkaar kon halen. Er bestaat niet zoiets als de zuivere hindoe, de zuivere christen, de zuivere ‘Tribal’ of boeddhist. De diversiteit aan samenlevingsvormen is in een straal van drie kilometer enorm en die samenlevingsvormen hebben een enorme impact op elkaar. Vaak waren de grenzen tussen de verschillende samenlevingsvormen niet zo duidelijk. Zo was er bijvoorbeeld een man waarvan ik mij afvroeg of het nu een Tribal was die zich binnen de hindoe-gemeenschap toch een status trachtte te verwerven of dat hij gemanipuleerd werd – onder impuls van het toerisme – en als Tribal ten tonele werd gevoerd. (De Tribals zijn de oorspronkelijke inwoners van India die door de komst van de hindoes en het invoeren van het kastensysteem in de verdrukking zijn geraakt, DW) Als je dan later een Tribal tegenkomt, is dat toch iemand die in een heel andere context leeft dan die van de hindoe. Het label hindoe omvat op zich trouwens al een enorme verscheidenheid aan levensstijlen.

Wat je nu vertelt, speelde dat op het moment van de inleefreis zelf ook?

PV: Ik denk het niet. Ik was vooral bezig met indrukken opnemen. Misschien is dat ook geen slechte zaak. Ik moet wel zeggen dat er ook een aantal ervaringen waren die ik wel begrepen heb. Zo waren we op een bepaald ogenblik in een klooster – ik zou het ook een religieuze site kunnen noemen – waar we uitgenodigd werden om op de grond te gaan liggen. De bedoeling was om een ‘godheid’ te aanbidden. Ik weet niet of ze het echt zo noemden, want in het hindoeïsme heb je ook religieuze principes die daarom niet noodzakelijk godheden zijn. In ieder geval bleek het de godheid van het ‘niets’ te zijn. Dat vond ik een geweldige ervaring, het idee om het ‘niets’ te aanbidden. Vlakbij diezelfde plaats van aanbidding van ‘het Niets’ stond een ‘kapelletje’ waar je beelden van slangen zag of bloemen en dan wist je dat daar iets vereerd werd, maar wat juist? Je vormt je op voorhand een beeld van spiritualiteit en meditatie, het loskomen van de tastbare wereld. Sterk was dan ook de confrontatie met hoe de beleving van religie en cultuur voor hen zo enorm materieel tastbaar blijkt.

Weet je nog hoe dat je je voelde toen je terugkwam van India?

PV: Ik herinner mij dat mijn familie na de reis mij regelmatig vroeg om eens iets te vertellen over India en ik kon dat niet. Nu kan ik dat wel. Dat is pas los beginnen komen, zo’n twee à drie jaar na de inleefreis. Na zo’n vijf weken van avontuur en intense ervaringen was de vraag toen vooral: en wat nu? Ik heb het geluk gehad dat ik toen ben beginnen schrijven over de Tribals. Het was goed om daar op te kunnen focussen. Anders denk ik dat ik in een gat gevallen zou zijn. Je kunt je de impact van de veelheid aan impressies van zo’n reis wel inbeelden en dat in zo’n korte tijd! Op zo’n moment is het spijtig dat je niet direct terug kunt om er iets meer mee te doen.

Zou je durven stellen dat die inleefervaring in India een rol heeft gespeeld in je verdere leven?

PV: De impact is nooit zo zwaar geweest dat ik bijvoorbeeld pas door het inleefverblijf aanhanger van de geweldoosheid naar het voorbeeld van Ghandi werd. Wat wel zo is, is dat mijn leven hoogstwaarschijnlijk anders was verlopen als ik die inleefreis niet had meegemaakt. Zo zou ik nooit de moed hebben gehad om naar Congo te trekken als ik niet eerst die vijf weken in India had beleefd. In die zin was de inleefreis in India een experiment dat mij voorbereid heeft om een jaar in Kinshasa te wonen.

NA DE INLEEFREIS

Kun je over je ervaring in Kinshasa wat meer vertellen?

PV: Dat was in het academiejaar 2000-2001, ongeveer 5 jaar na de inleefreis. Vanuit mijn studie filosofie was de vraag gegroeid hoe andere samenlevingen zich organiseren. Daarom besloot ik mij in te schrijven voor de toen kersverse licenties antropologie in Leuven. Daar is het plan gerijpt om naar Kinshasa te gaan. Over dat jaar in Kinshasa kan ik wel met recht en reden zeggen dat ik het bewust heb ervaren. Het heeft mij trouwens een maand of twee gekost om de schok van de confrontatie met de situatie zoals ze daar toen was te boven te komen. Mijn eerste indruk van Kinshasa was die van een zwaar gebombardeerde stad. Het deed mij enorm denken aan foto’s uit de Eerste Wereldoorlog van mijn geboortestreek rond Ieper. Congo kende op dat moment wel oorlog maar Kinshasa was niet zwaar onder vuur genomen. Achteraf werd het mij duidelijk dat veel gebouwen niet volledig waren afgewerkt. Bovendien werden appartementen, straten, muren, ... verwaarloosd waardoor ze stilaan erodeerden. Een tweede facet was dat alles daar op het eerste zicht in de modder gebeurde. Als je de grote Avenue Lumumba, net voor de Echangeur, afrijdt dan zie je links en rechts markten waar groenten, fruit en andere waren verkocht worden. In het regenseizoen staan de mensen daar letterlijk in het slijk. Ten derde verkeerde ik compleet onder de bruine mensen. Ik noem ze geen zwarten meer, want veel echt zwarte mensen lopen er daar niet rond, het zijn veeleer bruine mensen. Ik zag niets. Ik kon niets waarnemen. Ik had immers geen categorieën om op terug te vallen. De mimiek en de gebaren – zo verschillend van de onze – en natuurlijk de taalbarrière maakten dat ik compleet in het duister tastte. Ik had in het begin ook niemand die het mij voor deed. Er was met andere woorden geen enkele houvast.

Markt in Congo
© Michael Lebaigue

“Als je de Avenue Lumumba, net voor de Echangeur, afrijdt dan zie je links en rechts markten waar groenten, fruit en andere waren verkocht worden. In het regenseizoen staan de mensen daar letterlijk in het slijk.”

Denk je dat je veel lapsussen hebt begaan?

PV: De eerste drie maanden was ik nogal onder invloed van de medicatie tegen malaria waardoor ik soms nogal incoherent en weinig doelgericht sprak en handelde. Ik ben soms wel een meester in het zeggen van ongepaste zaken maar vooral door een aantal zaken niet te doen, weiger je om in een plaatselijke strategie of gewoonte mee te gaan. Zo waren er wel een aantal mensen die verwachtingen hadden in verband met wat ze konden winnen aan mijn aanwezigheid. Dat gaat trouwens niet altijd over geld. Geld is vooral de versiering van dieperliggende relaties en belangen. Ik werd bijvoorbeeld regelmatig door een aantal mannen in contact gebracht met een achternichtje, een toekomstige schoonzus of met een vriend die dan zijn dochter aan mij voorstelde. De verwachting is niet zozeer dat je die vrouw uit de armoede redt en in België een beter leven geeft, maar wat er dan wel precies van mij verwacht werd, dat wist ik toen ook niet. Armoede is trouwens een gevaarlijk woord waardoor culturele en spirituele rijkdom vaak naar onze materiële normen gedevalueerd wordt. Uitwisseling van vrouwen is daar fundamenteel in de relatievormingsstrategieën ingebakken. Zo’n uitwisseling houdt in dat je een engagement aangaat voor de toekomst. Op het moment van de uitwisseling is je ‘wederdaad’ vaak nog niet duidelijk of zelfs niet gespecifieerd.

Wat wilde je daar gaan doen?

PV: Ik wilde daar in eerste instantie sociaal werk verrichten. In ruil voor dat meewerken kreeg ik een jaar kost en inwoon zodat ik onder andere het Lingala zou kunnen leren. Aan de hand van de ervaringen ter plaatse hoopte ik mijn eindverhandeling te schrijven.Via de dochter van een zus van mijn grootvader, die mis“sionaris was in Kinsenso, kwam ik terecht bij de Witte Paters die eerst daar en later ook aan de Avenue de l’Université in Mbanza Lemba het sociaal centrum Simba Ngai uit de grond hadden gestampt. Het was een kleine onderneming met zo’n honderdtwintigtal werknemers. Ze deden verbouwingen en nieuwbouw van kloosters, bibliotheken, scholen, etc. Er was een schrijnwerkerij waar straatkinderen werden opgeleid. Mijn taak bestond erin mee te werken in de boekhouding. Ik hielp ook in de schrijnwerkerij en ben zelfs mee gaan bouwen met de bouwvakkers. Daardoor had ik vaak de kans om mee op de vrachtwagen of met de jeep Kinshasa te doorkruisen. Zo kon ik Kinshasa op een bijzondere manier leren kennen. Ik kan je verzekeren dat zo’n rit iets heel anders is dan in België. Hier heb je overal verharde wegen. Daar is het op een aantal overgebleven wegen na niets dan verhard zand. Het drukke verkeer baggert dag in dag uit door de straten waardoor de ondergrond herschapen wordt tot één uitgestrekt crossparcour. Zelfs de beste flandrien zou niet graag 100 kilometer door Kinshasa rijden. Het is daar erger dan Parijs-Roubaix.Op een dag kwam Joel Motema Ipara – een student aan de UNIKIN (Université de Kinshasa) – op mij toegestapt. Hij stelde me voor om met hem samen te werken. Toen is mijn stoutste droom in vervulling gegaan en kreeg ik de kans om met een aantal ‘traditionele’ genezers of culturele specialisten van Yaka, Pende, Yansi en Mpeve ya n’Longo afkomst in contact te komen.

Heb je het gevoel het leven geleefd te hebben van de mensen daar?

PV: Je moet weten dat ik verbleef op het sociaal project. Ik leefde bij een gezin maar had wel een eigen kok. Bij mensen thuis binnenlopen leek me niet evident, want die privéruimte wordt – onder meer door ervaringen met plunderingen – sterk bewaakt. Dat merk je ook aan de tralies en hekken op en rond de gebouwen. Er kwamen wel eens kunstenaars bij mij op bezoek en zelfs ook enkele genezers. Ik heb rollen meegespeeld in een theatergezelschap. Ik heb met een grote verscheidenheid aan mensen samen gegeten, gedronken en gedanst, voor hen wezenlijke aspecten van samenleven. Af en toe voetbalden we samen of speelde ik met de kinderen. Ik had ook goede contacten met de werknemers van het project. Bij verschillenden ben ik thuis op bezoek geweest of ging ik mee op uitstap.

Klopt het cliché dat het meer dan een jaar duurt eer je bent aangepast aan een andere cultuur?

PV: Ik geloof van wel. Ik pas mij in ieder geval niet snel aan. Materieel, met het oog op overleven, heb ik mij wel moeten aanpassen. Kinshasa kent trouwens geen eenheid in zijn cultuur. Met andere woorden kun je je niet aanpassen aan dé cultuur van Kinshasa. Misschien zie je na een langere tijd wel meer van die onzichtbare culturen, herken je meer. Ook ben ik iemand die niet altijd even grondig is voorbereid. Daardoor val ik soms uit de lucht. Dat heeft wel het voordeel dat je minder gefocust bent op wat je wilt zien. Zo ontdek je natuurlijk vanalles. Toch blijft het moeillijk. Wat voor vragen kun je bijvoorbeeld stellen aan iemand? Kun je zomaar naar het intieme familieleven vragen? Je moet je voorstellen dat een Congolees of een Chinees hier naar je toe komt en zegt: “Ik ga nu eens het perspectief omdraaien.” Stel je voor dat hij of zij mee Kerstavond komt vieren en op dat moment – wat vaak een gevoelig moment is omdat de gehele familie dan bijeen is – vragen begint te stellen over de familiebanden. Ik durfde dat toen ook niet. Bovendien is een vraag stellen daar niet hetzelfde als bij ons. Een vraag is daar verbonden met een bepaald verlangen. Ze is verweven in de giftlogica en wordt nooit geheel vrijblijvend opgevat.

HET LEVEN NU

Nu woon je in Brussel. Hoe is het leven hier?

PV: In Brussel loopt heel de wereld rond. Ik denk daarom dat het leven in Brussel een goed beeld geeft van wat de toekomst Europa te bieden heeft. Hier ontwaak je uit de illusie dat er een perfect harmonieuze manier van samenleven bestaat tussen mensen uit verschillende culturen. Dit besef groeide vooral toen ik actief was in schoolopbouwwerk met scholen in zogeheten achtergestelde gebieden zoals Schaarbeek en Sint Joost-ten-Node. Ik heb veel met kinderen van verschillende culturele achtergronden en hun ouders gesproken. Ik heb ook met die kinderen gespeeld toen ik later werkte in buitenschoolse opvang. De essentie van het werken in een interculturele setting draait rond één praktische vraag: hoe werk je samen met die mensen? Ondertussen werk ik in een centrum voor algemene welzijnszorg dat zich specifiek richt op thema’s als armoedebestrijding, migratieproblematiek, relatiebemiddeling, vrijwillige terugkeer, gezinshereniging en het opnieuw integreren van geïsoleerde mensen. Het boeiende is dat ik werk met een groot aantal van de Brusselse gemeenten en wijken waar je op kleine schaal mondiale problematieken terugvindt. Dat kon ik op het platteland bij mijn ouders in Dikkebus niet aan den lijve ondervinden.

Zie je veel terugkomen van de conflicten tussen bevolkingsgroepen en landen in die wijken en gemeentes?

PV: Veel van die conflicten leven onderhuids. Je merkt dat niet in de dagdagelijkse omgang. Wat je wel ziet, is dat bijvoorbeeld in Sint-Joost de nieuwkomers uit Afrikaanse of Oost-Europese landen het moeilijk vinden om zich thuis te voelen tussen die op zich gekeerde, maar ook versplinterde Turkse gemeenschappen. Maar wat ik hoopgevend vind, is dat de jongere generatie enorm gemengd is. Er is een tussencultuur ontstaan waarin je wél veel kunt bespreken. Tegelijk voel je dat daar enorm veel andere werelden achter zitten. Die jonge mensen komen wel overeen. Kun je dan nog zeggen dat ze Turks of Marokkaans zijn? Ik vind het verschrikkelijk om op die mensen een etiket te plakken. Ik zie die jongeren gewoon als Belgen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond, die ook veel plezier beleven aan wat Brussel te bieden heeft. Je merkt wel dat in bepaalde ‘etnische’ milieus mensen van andere origines niet welkom zijn. Dan besef je dat de Westerse culturen geen patent hebben op racisme en xenofobie, maar dat er over heel de wereld mensen zijn die elkaar niet kunnen luchten.

Is de samenleving in Brussel een multiculturele samenleving?

PV: Ik ben een beetje vies geworden van het woord multiculturaliteit, want dat veronderstelt een veelheid aan culturen naast elkaar. Ik hou meer van de term interculturaliteit. En je ziet ook bij die jongeren dat hun persoonlijke cultuur niet meer in één van die hokjes te steken valt. Dit zal de toekomst zijn en mensen die daar niet mee overweg kunnen, zullen hier niet in meekunnen. De Brusselaar is dan ook iemand die hieraan gewend is geraakt en niet zoveel problemen heeft met andere culturen en gewoontes.

Hoe kijk jij aan tegen de inspanningen van de laatste jaren om te investeren in een integratiebeleid binnen Vlaanderen?

PV: Ik denk dat het nu het moment is om in die jonge mensen te investeren. Van de eerste generatie kun je niet verwachten dat ze zich volledig assimileren. Integratie draait trouwens niet om assimilatie maar vraagt een zeker engagement van de ander. Die jongeren zijn juist op zoek naar hun plaats in deze samenleving. Ik zie het nut van de investeringen daarom vooral op het vlak van onderwijs. Ik denk wel dat er vroeger veel geld weggesmeten is en vanuit dat gegeven snap ik dat sommige mensen de kraan willen dichtdraaien. Volgens mij moeten er daarom voorwaarden gesteld worden aan die investeringen, waardoor er ruimte ontstaat voor onderhandeling. Hulp bieden is goed, maar het is ook niet goed voor de persoon die geholpen wordt om enkel te ontvangen, want daardoor wordt men afhankelijk. Zo kun je nooit voor jezelf een situatie creëren waarbij je respect afdwingt. Natuurlijk is er ook nog het probleem van de grootstedelijke criminaliteit, maar je moet er vooral op letten dat die nieuwe generatie jongeren daar niet in geduwd wordt. En op dat vlak zou de aanpak van integratie met meer respect voor het anders zijn en voor de veelheid aan origines mogen gebeuren. Maar ook met de ‘eis’ dat sommigen van hen ook ons respecteren. Heb bijvoorbeeld begrip voor wat er in het Midden-Oosten gebeurt. Veel gebeurtenissen daar wekken hier veel verdriet op. Moslimjongeren worden daar op aangesproken en gestigmatiseerd terwijl zij vaak de Islam op een progressieve manier willen beleven, op een aan hun Brusselse levenstijl aangepaste manier. Zou er bijvoorbeeld nog veel fundamentalisme schuilen achter het dragen van een knalgroene of een roze hoofddoek? Ik denk het niet. Het is voor veel moslima’s in de eerste plaats een kledingstuk waarmee ze zich mooi kunnen maken.

Wat vind je het belangrijkst in je leven?

PV: Mijn gezinsleven natuurlijk. We zijn een echte mengvorm van culturen! Mijn vrouw Emilie is Kinua. Zij is opgegroeid in Kinshasa. Zij is Kinois. Samen met onze twee kindjes vormen we een typisch Brussels gezinnetje. Ik denk dat het succes van mijn familie erin bestaat dat wij met ons vieren weigeren om ons volledig aan elkaar aan te passen. Dat leidt soms tot erg uiteenlopende standpunten. Je identiteit die je zelf al zo vaak in vraag hebt gesteld, wordt door je gezin weer opnieuw in vraag gesteld. Op zo’n moment moet je het wederzijds respect terug centraal plaatsen. Dan staak je de strijd, je observeert en draait gewoon even mee zonder enige organisatie of denkwijze aan de ander op te leggen. Dit geldt trouwens ook voor niet-gemengde huwelijken. Ik zeg wel eens dat ik mijn huwelijk beschouw als een verfijnde vorm van ontwikkelingssamenwerking. Samenwerking heeft vaak te maken met organisatie. Maar als je een organisatie begint op te leggen aan een ander, werkt dat lang niet altijd. De doelgroep van een project heeft vaak al millennia lang een eigen organisatie en zal die niet zomaar omgooien. Dat is binnen een huwelijk ook zo. Bovendien kun je veel leren van je partner. Een diepgaander engagement binnen ontwikkelingssamenwerking, zoals dat binnen het huwelijk bestaat, zou daarom schitterend zijn. Ik spreek hier over een dynamiek waarin ‘de ander’ ons op bepaalde vlakken ontwikkelt en wij hem op weer andere vlakken. Dat is de uitdaging die we hier in Brussel meemaken.

Dieter Wijffels