Belgische ontwikkelingssamenwerking stuurt vrijwilligers uit

Vrijwillige Dienst bij de Ontwikkelingssamenwerking wil 100 jongeren op het terrein

Eind vorig jaar heeft België in het kader van de Vrijwillige Dienst bij de Ontwikkelingssamenwerking de eerste jongeren uitgezonden naar verschillende partnerlanden. De Vrijwillige Dienst wil hen een eerste werkervaring geven in de sector van de ontwikkelingssamenwerking en, wie weet, op termijn bijdragen tot een nieuwe generatie van ontwikkelingswerkers.

Het was de minister voor Ontwikkelingssamenwerking Armand De Decker, die kwam aanzetten met het idee om jonge vrijwilligers uit te sturen naar projecten in de achttien partnerlanden van België. Hij was namelijk aangenaam verrast door de solidariteitsgolf onder jongeren na de tsunamiramp in Azië, maar hen uitsturen zonder enige vorm van opleiding of begeleiding vindt hij geen gepast antwoord op de behoeften van de lokale bevolking. De minister wil inspelen op dit solidariteitsgevoel en jongeren een kader aanbieden om zich ten dienste te stellen van ontwikkelingslanden. Door hen een eerste werkervaring op het terrein te geven, draagt België op termijn ook bij tot een nieuwe generatie van ontwikkelingswerkers. Niet slecht, aangezien de gemiddelde leeftijd van de coöperanten op het terrein ieder jaar toeneemt en het steeds moeilijker wordt om als jongere zonder ruime ervaring werk te vinden in de sector. De vrijwilligers moeten daarnaast bijdragen tot het sensibiliseren van de Belgische bevolking voor ontwikkelingssamenwerking.

De Vrijwillige Dienst voor Ontwikkelingssamenwerking (VDOS) werd eind 2005 opgericht en de Belgische Technische Coöperatie (BTC) – het uitvoeringsorgaan van de Belgische ontwikkelingssamenwerking – rekruteerde een jaar later de eerste vrijwilligers. Van de 405 kandidaten haalden er 55 de eindstreep. Op basis van de behoeften van het terrein werd aan 45 onder hen een functie aangeboden. 36 aanvaardden deze functie en de eersten onder hen vertrokken in november 2006. De overige geselecteerden voor wie niet onmiddellijk een geschikte functie gevonden werd, maken deel uit van een rekruteringsreserve. De bedoeling is om continu tussen de 55 en de 100 vrijwilligers op het terrein te hebben. De vrijwilligers worden ingeschakeld in projecten of programma’s die door BTC worden uitgevoerd. In een later stadium kunnen de vrijwilligers ook ter beschikking worden gesteld van de internationale partnerorganisaties van de multilaterale samenwerking en de ngo’s. Het is niet de bedoeling dat de vrijwilliger taken vervult die een lokaal personeelslid zou kunnen uitvoeren, maar dat hij juist een meerwaarde betekent voor het project.

Selectie

Aanvankelijk worden er twee selecties per jaar georganiseerd, één in het voorjaar en één in het najaar. Daarna worden de posten bijgevuld naargelang het aantal vrijwilligers dat terugkeert. De vrijwilliger beschikt namelijk over een contract van één jaar dat twee keer hernieuwbaar is. De selectieprocedure duurt ongeveer vijf maanden en bestaat uit een preselectie op basis van acht voorwaarden (zie kader), een schriftelijke proef door SELOR en een mondelinge proef door BTC.

Eens de vrijwilligers geselecteerd zijn en ze een post hebben gekregen, moeten ze in België een vorming volgen die twee weken duurt en hen voorbereidt op een nieuwe werk- en leefomgeving. Enkele onderwerpen die behandeld worden tijdens de vorming: kennis van jezelf, cultuurshock, logisch kader (dat de doelstellingen, beoogde resultaten en activiteiten van een ontwikkelingsproject structureert), gezondheid, transversale thema’s van BTC,…

De vrijwilligers ondertekenen een arbeidscontract met BTC en genieten een maandelijkse brutovergoeding van 1258,90 €. Daarnaast staat BTC hen bij in hun reis- en huisvestingskosten en zorgt voor de nodige verzekeringen (overzeese sociale zekerheid, hospitalisatie, ongevallen etc.).

Toelatingsvoorwaarden:

  1. Nog nooit een bezoldigde activiteit uitgeoefend hebben in een land dat als ontwikkelingsland beschouwd wordt door het Comité voor Ontwikkeling van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).
  2. Niet langer dan twee jaar gewerkt hebben binnen het kader van één of meerdere arbeidsovereenkomsten of met het statuut van zelfstandige; de periodes van tewerkstelling op basis van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten worden niet in aanmerking genomen.
  3. De Belgische nationaliteit hebben of onderdaan zijn van een ander land van de Europese Unie of van het Zwitsers Eedgenootschap.
  4. Minstens 20 jaar oud zijn.
  5. Genieten van zijn politieke rechten en burgerrechten en voldaan hebben aan de dienstplichtwetten.
  6. Van goed gedrag en zeden zijn.
  7. Minstens in het bezit zijn van het Getuigschrift Hoger Secundair Onderwijs (GHSO), uitgereikt in België of als gelijkwaardig erkend door de bevoegde Belgische autoriteiten.
  8. Met succes de algemene informatiecyclus beëindigd hebben (residentiële opleiding over ontwikkelingssamenwerking die door BTC georganiseerd wordt).

“Ik wil weten of ontwikkelingswerk iets voor mij is”

Josti Gadeyne (24), die vier jaar geleden met USOS op inleefreis naar Nicaragua ging en het jaar nadien op thesisstage in hetzelfde land, maakt deel uit van de eerste zending van BTC-vrijwilligers. Ze werkt sinds eind november 2006 in een ontwikkelingsproject in Senegal, dat een duurzame toegang tot drinkbaar water voor 260.000 landelijke inwoners wil garanderen. Ze houdt zich bezig met het gegevensbestand, de website en het ontwikkelen van communicatie- en sensibilisatiemateriaal. Ze studeerde in 2004 af aan de Universiteit Antwerpen voor de richting Politieke en Sociale Wetenschappen en behaalde een jaar later een diploma journalistiek aan de Lessius Hogeschool in Antwerpen.

“Het is altijd al een droom geweest, die meer vorm heeft gekregen door mijn inleefreis en thesisstage met USOS in Nicaragua. Ik houd ervan om me in te leven in een andere cultuur, maar langer dan twee maanden ben ik nog niet van huis geweest. De Vrijwillige Dienst bij de Ontwikkelingssamenwerking geeft me nu de kans om werkervaring op te doen in de sector van de ontwikkelingssamenwerking en om minstens één jaar in een ontwikkelingsland te wonen en te werken. Het is een uitdaging, ik wil weten of ontwikkelingswerk iets voor mij is.”

“Hoewel ik aanvankelijk Latijns-Amerika als voorkeur had opgegeven, heb ik geen enkel ogenblik getwijfeld toen BTC een post in Senegal voorstelde. Ik had voor mezelf al uitgemaakt dat het belangrijker was om te kunnen vertrekken, een ontwikkelingswerker moet flexibel zijn en in verschillende culturen kunnen werken. En ik heb geen spijt van mijn beslissing. Hoewel ik voor de eerste keer voet aan wal zette op het Afrikaanse continent voelde ik me er meteen thuis. Senegalezen zijn enorm gastvrij en tolerant, ik werd er met open armen ontvangen. Het heeft niet lang geduurd vooraleer één van de collega’s me uitnodigde bij hem thuis en ik volop kon beleven hoe het dagelijkse leven zich thuis afspeelt. De vrouwen brengen veel tijd door in de keuken om de dagelijkse portie rijst en vis te bereiden, waarna de hele familie zich rond één schotel plaatst en ze met de rechterhand bolletjes rijst vormen – de linkerhand wordt gebruikt voor het toilet. Senegalezen hebben bovendien een goed gevoel voor humor en zelfs in de meest serieuze of hachelijke situaties is er plaats voor een grapje. Ze hechten daarnaast een groot belang aan respect, iemand niet groeten is taboe. Het is dan ook niet verwonderlijk dat groeten in het Wolof, de meest frequent gesproken lokale taal, veel tijd in beslag neemt: je informeert naar het wel en wee van de persoon en zijn familie. Als je iemand groet schud je zijn hand, kussen is Westers. In het begin kwam het schudden van de hand mij koel over, maar hoe beter je iemand kent, hoe langer je zijn hand vasthoudt en hoe steviger de handdruk wordt.”

“Het project PARPEBA – Projet d’Amélioration et Renforcement des Points d’Eau dans le Bassin Arachidier – waar ik in terecht ben gekomen, is een groot infrastructuurproject dat tegen eind 2008 32 watertorens en een bijbehorend netwerk van leidingen en verschillende aftappunten wil realiseren. Het volgt ook de 21 sites van het voorgaande Belgische project op. PARPEBA is actief in drie regio’s – Diourbel, Fatick en Kaolack – met Kaolack als uitvalsbasis. Elke boorsite voorziet meerdere dorpen van drinkbaar water en wordt beheerd door een gebruikersvereniging, ook wel ASUFOR – Association des Usagers des Forages – genaamd. De dorpelingen kiezen ieder jaar zelf de vertegenwoordigers die in het comité en uitvoerend bureau van de gebruikersvereniging zetelen. De ASUFOR organiseert de verkoop van water: ze legt een prijs vast, sluit een contract af met de fontainiers die het water verkopen aan de publieke aftappunten, behandelt de aanvragen voor een private waterafsluiting, houdt de productie- en consumptiehoeveelheid bij… De ASUFOR beheert de inkomsten van de verkoop en wendt deze onder meer aan om lonen uit te betalen en technische problemen, zoals een waterlek, op te lossen. De gebruikersvereniging beheert dus zijn eigen inkomsten en uitgaven en het project PARPEBA houdt een oogje in het zeil. Het project professionaliseert de gebruikersorganisaties door hen vormingen aan te bieden.”

“Ik houd me bezig met het gegevensbestand, de nieuwe website en het ontwikkelen van communicatie- en sensibilisatiemateriaal. Het gegevensbestand wordt iedere maand vervolledigd met het consumptie- en productieniveau van iedere site en aftappunt en met de boekhouding van iedere ASUFOR. Op al deze gebieden spring ik mijn collega’s bij waar nodig. Het merendeel van mijn collega’s is Senegalees, wat een andere werksituatie oplevert dan in België: iedereen neemt de tijd om elkaar verschillende keren per dag uitgebreid te groeten, als je iets nodig hebt moet je er verschillende keren achter vragen, vergaderingen duren ontzettend lang want iedereen wil zijn zeg doen, om 14u en om 17u onderbreken mijn moslimcollega’s het werk om te bidden… Kortom, de werksfeer is minder gejaagd.”

“Het is een boeiende job die toelaat om regelmatig een bezoek te brengen op het terrein. Niet alleen het werk bevalt me, ook het leven in Kaolack. Het is een stoffige stad waar wel wat te beleven valt en je vindt er bijna alles: van Nederlandse koeken en Italiaanse pasta tot Spaanse strijkijzers en lokale vis, groenten en fruit. Van zodra je een aantal woorden Wolof kan praten met de lokale bevolking beschouwen ze je niet meer als een toerist, maar verwelkomen ze je met een nog grotere glimlach en een humoristische noot.”

Wil je meer weten?

www.btcctb.org
www.pihtusenegal.blogspot.com

Josti Gadeyne