“THEY ARE MANY, THEY ARE ONE”

Je houdt het niet voor mogelijk, hoe vals een mens kan zingen. Zo vals dat rillingen over de rug rollen en haren rechtop gaan staan. Het is grappig dat ik zo ver moet reizen om dat te ontdekken. Zo ver in Indonesië: het land van onmetelijke eilanden en tegenstellingen, van honderden etniciteiten, talen en identiteiten. Indonesië, land van muzikaal gemartel…

Indonesië is zo uitgestrekt dat je het aantal eilanden bijna niet kan tellen. Het is een gefragmenteerde geografie die 5000 km kust bestrijkt en meer dan 300 etnische groepen verenigt. Een oud Javaans spreekwoord werd de nationale leuze vanaf de glorietijd van de Vereenigde Oostindische Compagnie: “They are many, they are one”. De VOC maakte toen één rijk van al die diversiteit. Diversiteit, niet alleen in mensen en talen maar ook in landschap en natuur: van vulkanen en bergen over meren tot regenwoud. Niet moeilijk dat Indonesië een ongelofelijke aantrekkingskracht uitoefent op allerhande reizigers. Het is een paradijs voor rugzaktoeristen, inleefreizigers, surfers, religieuze pelgrims, jonggehuwden… Ze zijn even divers als Indonesië zelf.

Ik was op zoek naar de Aziatische cultuur. Ieder continent heeft toch een andere geur, smaak, zicht, gevoel, leven? Dus waarom niet eens een land opzoeken tussen de Indische en de Stille Oceaan. Met VIA vzw trok ik naar een dorp in de buurt van Semarang (Java). Geen toeristen, veel bekijks en een goed bed bij de oma van mijn Indonesische opvang. Meer moet dat niet zijn. Ik zou samen met de Javaanse Merdika en een aantal andere internationale vrijwilligers het Indonesische zelfvertrouwen bevorderen. Althans het zelfvertrouwen van de mensen in ons dorp. Sinds het regelmatige contact met zowel de westerse als de islamitische cultuur, geraken de traditionele culturen van Indonesië wat op de achtergrond. De eigenheid van het eiland Java met haar specifieke taal en dans maar ook die van de andere eilanden zoals Bali en Sumatra, lijken meer en meer te vervagen tot de herinnering van dorpsoudsten. Jeans en rock, de hoofddoek en het Arabisch hebben hier immers een hoger aanzien.

Hybridisatie of cultureel verval?

Niet dat een mix van culturen een probleem hoeft te zijn, vindt Merdika, want de traditionele cultuur haalde en haalt toch vooral het beste uit het contact met deze twee culturen en zo komt ze er sterker uit. Merdika’s theorie van hybridisatie en kruisbestuiving van culturen – vergelijkbaar met de snijbloemen en fruitvliegjes – klinkt alvast heerlijk idealistisch. Anderen, zoals haar vader die professor is in oude Javaanse kunsten, zijn minder optimistisch. Feit is dat de mannen en vrouwen in het dorp hun eigen kunsten en uitingsvormen niet meer met trots uitvoeren. Wie heeft er nog interesse in de melodieuze landschapsbeschrijvingen van de Dangdut (zang), de ritmiek van de Gamelan (orkest) of de hectische sprongen van de Topeng (dans met maskers)? Bij de jongeren in Waikukun zijn er dat in ieder geval niet veel. Of toch: als er mensen uit Europa en andere landen in Azië mee willen doen met deze kunsten, is er misschien wél iets waardevols aan…?
Inderdaad, zeg ik volmondig. Want al was het daar in het verre Indonesië met de zangers van de Dangdut, dat ik de ondraaglijke valsheid der menselijke stem leerde kennen, ik ben overtuigd van het belang van deze expressievormen. De Javaanse melodieën klinken zo anders, zo niet-westers, zo niet-Europees, dat het een meerwaarde biedt aan mijn leefwereld. Het breidt de notenleer uit met ongekende toonverschillen en opeenvolging van noten, terwijl er oude verhalen worden doorverteld en veranderende landschappen beschreven. Het sociale karakter van het samenzingen is trouwens belangrijk: sámen wordt er gelachen en gemusiceerd met eenvoudige instrumenten.
Minder eenvoudig zijn de instrumenten van de Gamelan. Opzwepende ritmes en vierkante klanken komen uit de grappige snaarinstrumentjes of de gong. De Saladin-fluit klinkt scherp boven de rest en leidt daarmee de muziek. Nadat ik vals heb gezongen en hard heb geblazen, moet ik mee dansen op het voortdravende ritme. Natuurlijk draai ik dubbel met mijn benen maar dat verhoogt juist de pret van alle kindjes en buren die ondertussen de repetitie kwamen volgen. Als de dansstoet de volgende dag vertrekt naar het grote plein, geniet ik van de oude Indonesische mythen met de goede en slechte helden. De Terong zijn erbij gekomen: dansende maskerdragers die de mythische karakters uitbeelden. Ik zie de artiesten glunderen, omdat mijn blanke ik samen met de andere vrijwilligers zo naarstig meedoe met hun muziek en dans. En dat is precies waarvoor we kwamen.

Doven laten deelnemen aan de Indonesische cultuur en identiteitsbeleving

Misschien jammer voor de dove studenten van Merdika die verderop in Umarang les volgen. Zij kunnen de muziek niet horen en er dus evenmin op dansen. Leerkracht Ida Ayu Putu Winursita, een Balinese dame, bevestigt dat de doven tot voor kort niet volledig konden deelnemen aan de Indonesische cultuur en identiteitsbeleving. Dansen is immers van jongs af aan belangrijk in het leven van elke Indonesiër. Op de eilanden moeten de meisjes en jongens al vroeg leren begrijpen wat de dans betekent. De dans zelf niet kunnen uitvoeren, vermindert het echte begrip en respect voor de dans. Waardoor de dove zelf ook weer een stukje minder respect en begrip krijgt – bovenop de stempel van minderwaardigheid die gehandicapten al hebben. Omdat Ida Ayu overtuigd is van de intelligentie en het inlevingsvermogen van de doven, besloot ze hen les te geven in Balinese dans. Hiermee wou ze hen de kans geven om dat stuk identiteit en eigenwaarde terug te winnen. De Balinese dans “Pendhet Panembromo” is niet meteen de gemakkelijkste dans.

De muziek waarop gedanst wordt, heeft geen beat die het ritme van de bewegingen aangeeft. Daardoor is het al moeilijk genoeg voor horenden. Toch kunnen de doven meedansen op de melodie van de muziek, dankzij de pedagogische technieken van Ida Ayu. De leerkracht doet de bewegingen voor en laat hen dansen voor een spiegel. Zo kunnen ze zelf zien wat er beter moet, hoe het vloeiender kan. Via hun voeten voelen ze de trillingen van de luide muziek en wordt hun gevoel voor motoriek veel sterker. Ida Ayu maakt zelfs nieuwe tekens in gebarentaal voor de verschillende dansbewegingen (zie p. 26). Het verwondert dus niet dat haar studenten een stedelijke interscolaire danscompetitie wonnen. Ondertussen verdienen ze regelmatig wat zakgeld door hun optredens. Zo is de cirkel rond, want dat geeft hen de kans om hun opleiding verder te zetten en hun hogere gezondheidskosten te betalen. Niet alleen een creatieve manier om dans bij de doven te brengen dus, maar ook om hun sociale status te verhogen en tegelijk een stuk traditionele cultuur te bewaren. Het geeft een extra dimensie aan de leuze “They are many, they are one”.

“Pendhet Panembromo” is een klassieke Balinese dans. Andere dansen zoals “Kupu Kuwi” zijn moderne Javaanse dansen. De klassieke dansen beginnen altijd met een gebed tot God om te tonen dat de dansers heel gelovig zijn. Ze hebben meestal zachte bewegingen met veel beleefdheidsvormen en strikte voorschriften, zoals over de klederdracht van de dansers. De modernere dansen beginnen niet met een gebed en de bewegingen zijn veel energieker. Toch hebben ook zij een moraal te bieden zoals bij de volgende Dolonan-dans (speeldans). “Kupu Kuwi” verhaalt over een vlinder. Hij is een harde werker en keurt luiheid dus af. Een mooi voorbeeld dus voor de kinderen …

KUPU KUWI

kupu kuwi
(that butterfly)

kupu kuwi, takencupe
(that butterfly, i want to capture it)

mung mabure ngewuhake
(but its flight is confusing me – it’s hard to capture it)

ngalor ngidul ngetan bali ngulon
(to the north, south, east and back to the west)

mrana mrene mung sak paran - paran
(go there and here, wherever it wants)

sapa bisa ngencupake
(who could capture it)

mentas menclok clegrok banjur mabur kleper
(when it stops for just a few seconds before flying away)

Gebaren en taal

Ook in Indonesië wordt gebarentaal gebruikt natuurlijk. Dat zijn niet dezelfde gebaren als de Nederlandse. Nederlandse gebaren zijn zelfs niet altijd identiek met de Vlaamse. Gebarentaal is immers een op zichzelf staande taal, die een eigen grammatica en een eigen lexicon heeft – los dus van het Nederlands zelf. Bij gebarentaal wordt in tegenstelling tot gesproken taal gecommuniceerd in de ruimte (plaats van het gebaar en beweging) en met het lichaam (‘meerkanaligheid’ d.m.v. handvorm, oriëntatie van de hand, gelaat, mond…). Die kanalen geven allemaal hun eigen grammaticale informatie. Gebarentaal heeft een eigen gebarenschat, met heel wat gebaren voor abstracte begrippen zoals april, naast de ‘gemotiveerde’ gebaren die het bedoelde concept uitbeelden zoals fiets (zie afbeelding). Er bestaan zelfs dialecten. Die lopen in Vlaanderen geografisch ongeveer gelijk met de dialecten in de vijf Vlaamse provincies. Gebarentaal is dus even belangrijk in de identiteitsvorming voor doven als gesproken taal voor horenden. Het is niet alleen hun vorm van contact met de ander, het geeft hen een plaats en identiteit binnen een gemeenschap. “Doofheid brengt een unieke taal en cultuur met zich mee, een verenigingsleven, zelfs een speciaal soort humor”, zo verwoordt de organisatie ‘Cultuur voor Doven’ het. Gebarentaal werd bijvoorbeeld lang verboden op gewone scholen. In 1880 vond het internationale congres voor dovenonderwijzers in Milaan dat spreektaal prioriteit moest krijgen bij onderwijs aan doven “wegens de ontegenzeggelijke superioriteit van het woord boven gebaren”! Dat leidde tot gebarentaal in het geheim, vaak gestrafte dove kinderen en een minderwaardigheidscomplex bij de doven. Gebarentaal wordt door onderzoekers inderdaad beschouwd als een onderdeel van de culturele identiteit van de doven, samen met het gezamenlijke bewustzijn, de eigen gedragspatronen, het besef van een gemeenschappelijke geschiedenis en een eigen sociaal netwerk met haar organisaties. Jammer dat de Vlaamse gebarentaal pas officieel als volwaardige taal erkend werd in april 2006 (de Nederlandse in 2004).

Lisbeth Jaspers
met dank aan Merdika Oshin – meer info:
bunga_bangsa_club@yahoo.com