En God … schiep de Congolees

Op de zesde dag schiep God de Congolees, die begon te denken en te praten, en gaf via diens discours een geheel nieuwe dimensie aan de wetenschap.

In hoeverre de mens met zijn religieuze discours recht of onrecht doet aan zijn initiële Schepper, is voor een pragmatische mens als de schrijver van deze column van ondergeschikt belang: eender welke invulling die voorkomt dat we elkaar de kop inslaan, kan op mijn steun rekenen. Daarenboven leent religie zich per definitie niet tot wetenschappelijke verificatie: ‘geloven’ eerder dan ‘weten’ vormt het hoofdwerkwoord bij de verzameling verhalen, parabels en verzen die vele godsdiensten rijk zijn. Een stevig en krachtig discours is dan ook onontbeerlijk, en misschien ook het enige instrument om mensen tot geloof aan te zetten. Voor de wetenschap echter gelden andere methoden: bewijzen in ‘t ongerijmde, technieken der falsificatie, controlegroepanalyses en ander statistisch vuurwerk, hebben doorheen de geschiedenis onze realiteit proberen te demystificeren. Hierbij is het discours verworden tot slechts het vehikel waarmee de boodschap overgebracht wordt. De wetenschappelijke methode is heilig- en haar rigide opvolging zaligmakend. Een deftig discours kan in het beste geval onderhoudend zijn, en in het slechtste geval een rookgordijn opwerpen om een weinig wetenschappelijke methode te camoufleren.

Welnu beminde gelovigen en wetenschappers. Ofschoon het dagdagelijkse lekenleven zich vooral buiten de muren van kerken en universiteiten afspeelt, lijkt het toch vooral de relatieve macht van deze beide soorten organisaties die bepaalt welke positie het discours in een maatschappij mag innemen. In Congo bijvoorbeeld – waar religie alomtegenwoordig is – krijgt het ongedwongen discours een zeer prominente plaats toebedeeld. In ons Belgenland daarentegen moet alles dan weer met de nodige wetenschappelijke bewijskracht onderstreept worden en mag men zich ook steeds verwachten aan een al even wetenschappelijke contestatie van het gevoerde discours.
Tot zover is er eigenlijk geen enkel probleem: maatschappijen en culturen verschillen en ieder spreekt hoe hij gebekt werd. Echter, het wordt wel wat problematischer – zinloos zelfs – wanneer men beide discourshoudingen gaat aanwenden om uitspraken te doen binnenin het andere domein: net zoals men het christelijk geloof niet moet proberen te kraken omdat het scheppingsverhaal darwiniaans onwetenschappelijk is, zo ook moeten er grenzen gesteld worden aan het wetenschappelijke creationisme van menig Congolees. Een discipline bij uitstek voor dergelijke onbezonnen vindingrijkheid is de medische wetenschap. Kent u reeds de alom geneeskrachtige werking van honing? Niet alleen is dat een lekkere zoeternij maar je kan daar ook astma, kanker en hartkwalen mee te lijf. Daarenboven leeft u gemakkelijk 10 jaar langer bij dagelijkse inname van één soeplepel! Voor infecties en open wonden moet u dan weer gewoon even naar olijfolie of pondu1 – een spinazieachtige groente op basis van maniokbladeren – vragen bij de plaatselijke apotheker. En ziek zijn is voornamelijk een uiting van een verstoorde relatie met God; er zijn zelfs mensen die kogels kunnen overleven door voldoende hard te geloven! Iemand nood aan een lijfwacht?

Wat hierbij nog het meest tegen de borst stuit, is het evidente en vermeend logische karakter waarmee deze ‘informatie’ de wereld wordt ingestuurd: geen vleugje nuance of twijfel valt te bespeuren wanneer met serieuze blik een discours wordt afgestoken dat eloquent gepolijst is met hoogdravende zinnen die geenszins gelijken op “ons Bomma zei vroeger altijd dat…”. Had ons Bomma vroeger maar wat meer honing gegeten, dan kon ik haar vandaag nog vragen of die negertjes wel te vertrouwen zijn.

Tekst: Wim Marivoet
Illustratie: Wout Schildermans