Interview: Werken in Congo

Het avontuur van Sille Moens

Sille Moens, van opleiding klinisch psychologe (VUB), werkte van januari 2003 tot juli 2004 bij de ngo APRODI in Congo. Daarna kon ze zich vanaf december 2007 voor Congo inzetten vanuit VLIR-UOS (Vlaamse Interuniversitaire Raad voor Ontwikkelingssamenwerking) te Brussel als dossierbeheerder voor het Congoprogramma.

© Philip Reynaers

Hoe kwam je op het idee om in Congo te willen werken?

Mijn ouders waren voorzitters van 11.11.11 in Affligem en door hen ben ik al vanaf jonge leeftijd betrokken geweest bij Afrika. Ze namen me steeds mee om deur aan deur centjes in te zamelen voor de derde wereld. Ook organiseerden ze fuiven waar ik in contact kwam met vooral Afrikaanse artiesten. Ontwikkelingssamenwerking is er bij mij dus eigenlijk met de paplepel ingegoten en het enige waar ik heel zeker van was, was dat ik ooit aan ontwikkelingssamenwerking wou doen en dit liefst in Afrika.

Wat ging er door je heen bij je aankomst in Congo?

Het vertrek vanuit België was niet zo moeilijk. Veel vrienden zijn me komen uitwuiven en ik vetrok met een goed gemoed, ondanks het feit dat mijn vriendje tot tranen toe bewogen was. (lacht) Maar zodra ik de helblauwe Congolese lucht en de vele witte vogels naast de landingsbaan zag, begon ik pas echt te beseffen dat ik aan een groot avontuur was begonnen en dat ik mijn familie en vrienden voor de eerste keer een jaar lang niet meer zou zien. Toen was het even slikken.
Ik vond toen ook dat ik op de vreselijkste luchthaven ter wereld was aangekomen. Je kent het wel. Iedereen loopt aan jou en je bagage te trekken om je mee te krijgen in hun taxi. Ik heb er uiteindelijk een week over gedaan om mijn laatste koffer los te krijgen, waar mijn computer, printer en ondergoed in zat. Ik heb de eerste week dus in het ondergoed van een oudere collega rondgelopen. (lacht)

Hoe moest je je werk inrichten in die eerste weken? Wat zorgde hierbij voor je eerste cultuurschok?

Ik werkte bij de ngo APRODI die zich bezighoudt met de gezondheidszorg van 60.000 inwoners van verschillende volkswijken in en rond Kinshasa. Ik begon met het opstellen van een enquête en heb mijn 30 medewerkers geïnterviewd om te weten te komen wat er goed en wat er slecht liep. Kortom, waar ze met de organisatie naartoe wilden. De antwoorden luidden echter steeds: ‘Alles gaat goed’. Ik had zoveel tijd in die vragenlijsten gestoken en uiteindelijk had ik er niets aan.
De eerste grote cultuurschok kwam voor mij toen ik ontdekte dat de mensen in Congo niet zeggen wat ze denken. En dit had niets te maken met het feit dat ik een blanke vrouw was. Er waren zoveel problemen, maar daar werd gewoon niet over gesproken. Ze wilden elkaar niet kwetsen en stelden zich erg vergevingsgezind op, wat ze elkaar ook hadden aangedaan. Alles wordt er uiteindelijk vergeven. Waarschijnlijk komt dit deels door de katholieke invloed, die nog erg in de hoofden van de mensen speelt.

© Philip Reynaers

Wat waren je hoofdtaken en welke resultaten werden door de ngo vooropgesteld?

Goh, we hebben zoveel gedaan. We hielden ons bezig met het bijscholen van straatkinderen, we leerden hen metaal bewerken en maskers maken, maar ook lezen en schrijven. We onderwezen moeders over de meest voorkomende ziekten en hielden consultaties, hielpen hygiënische toiletten graven, enz. Aan de hand van informatie uit een door ons georganiseerde volksvergadering bouwden we een waterbron om tot heuse betonnen bassins zodat de mensen geen water meer moesten gebruiken uit een modderpoel vol ziektekiemen. Ik hielp ook bij het wegen en meten van een paar duizend ondervoede kinderen om gegevens te verzamelen.
Wat ik heel positief vind aan APRODI is het feit dat deze ngo echt doet wat de plaatselijke bevolking wil. Ze zullen bijvoorbeeld eerst een grote volksvergadering houden alvorens tot actie over te gaan. Soms organiseerden we ook meer ‘politieke’ acties. Voor het bouwen van de waterbron in beton hadden we bijvoorbeeld de handtekening van de burgemeester nodig aangezien de constructie gebouwd werd in zijn gemeente. Deze burgemeester vroeg prompt hoeveel hij eraan zou verdienen. De gewone burgers vonden dit niet erg en ze lachten er zelfs mee. Humor was vaak hun antwoord en oplossing voor zulke wantoestanden. Ik probeerde hen dan duidelijk te maken dat ze zich niet mochten laten doen. APRODI heeft hen op dat moment doen inzien dat als ze zich organiseerden, ze zulke corruptie konden inperken.

Hoe verging het je eens je terug in België was?

Mijn cultuurschok was nog groter in België dan bij mijn aankomst in Congo! Het lijkt raar, maar eens terug in België zag ik pas echt heel duidelijk het verschil. Ik vond dat er weinig volk op straat liep – iedereen was immers op zijn of haar werk – en ook de straat oversteken deed ik op een andere manier. Ik wachtte nog steeds totdat alle auto’s voorbij waren geraasd, alvorens over te steken, net als in Congo. Tenslotte viel me de afstandelijkheid van de Belgen op. Daar moest ik toch erg aan wennen. In Congo voelde ik me kiplekker bij het feit dat je gemakkelijk met eender wie een praatje kunt slaan of overal kunt gaan dansen. Het heeft me een dik jaar gekost om me hier opnieuw goed in mijn vel en nuttig te voelen.

Hoe ga je om met het feit dat je momenteel een erg administratieve job hebt na zo’n ervaring in Congo? Wat is het grote verschil tussen werken in België en werken in Congo?

Hier in België telt elke minuut en heb je dus veel meer stress. In Congo is er ook wel stress, omdat iemand bijvoorbeeld uren te laat komt op een afspraak, maar dat is een andere soort stress. De stressbron ligt buiten je eigen mogelijkheden. Als je in België iets niet afgewerkt krijgt, heb je dat enkel aan jezelf te wijten. Je kan hier eigenlijk 24 uur op 24 werken en moet daardoor jezelf grenzen opleggen. In Congo begrenzen de omstandigheden je wel.
Ik vond mijn werk in Congo nuttiger. Ik kreeg er veel meer voldoening van. Je stond er in rechtstreeks contact met de mensen en je zag wat je bij hen teweegbracht. In België zie je zulke resultaten op papier staan, maar je ziet er de emotie niet bij. Maar je mag toch ook niet vergeten dat ik me ervan bewust was dat ik steeds terug naar België kon gaan. De soms erbarmelijke omstandigheden zijn daardoor dikwijls gemakkelijker te dragen. Mocht ik bijvoorbeeld erg ziek zijn geworden, dan zou ik sowieso naar België kunnen overvliegen om hier met de beste zorgen omringd te worden.

Kan je tenslotte één grote levensles trekken uit je ervaringen?

Ja, veel relativeren en niet teveel zagen. (lacht) Toen ik mijn kleerkast zag bij mijn terugkeer naar België, beloofde ik mezelf zeker een jaar geen kleren te kopen. Ik vond het schandalig dat ik zoveel had. Maar na zes maanden was ik weer aan het winkelen geslagen. Als je een tijdje in Afrika hebt gezeten, krijg je er veel principes bij, maar terug in onze maatschappij is het moeilijk je daar aan te houden. Je wordt zo weer terug in het individualisme en de overdreven consumptie geduwd. Op den duur ben je zelfs weer even hard aan het klagen en zagen als de anderen. Dus de levensles is dat je omgeving héél veel invloed uitoefent op je eigen filosofie. Het is erg moeilijk nieuwe principes alleen te handhaven. Je bent eigenlijk enorm afhankelijk van de omgeving waarin je leeft. Het is misschien niet zo’n mooie levensles, maar wel een realistische.

Meer van Silles verhalen kan je hier terugvinden (in het Frans)
Of op:
www.intal.be (zoek via de zoekfunctie op haar naam)

Tekst: Karolien Vrients
Beeld: Philip Reynaers