In september 1997 ging de Acht van start met het jongerencoachingproject. Ondertussen zijn er in Antwerpen een 6-tal jongerencoaches actief.
Territoriale jongerencoaching (joco) is gericht op maatschappelijk kwetsbare jongeren in het deeltijds en voltijds beroepsonderwijs en dit in de zogenaamde aandachtswijken. Oorspronkelijk richtte het project zich op jongeren van Marokkaanse en Turkse origine. Vandaag wordt er geen onderscheid meer gemaakt qua origine en richt men zich op kansarme leerlingen. Op papier gaat het over schoolgaande jongeren van 12 tot 18 jaar of meer met aankomend spijbelgedrag en attitude-, relatie- en communicatieproblemen met de ouders en/of de school. Het ideale traject voor deze jongeren is begeleid worden doorheen hun studieperiode tot aan het behalen van een diploma zodat ze rijp zijn voor de arbeidsmarkt. Hoe mooi dit streefdoel ook is, in de praktijk lijkt het erg hoog gegrepen. Verrekijkers sprak met Mohamed Bakach en Wim Hellemans, beiden al enkele jaren werkzaam als jongerencoach bij De8 vzw.
Tijdens ons gesprek met Mohamed en Wim wordt duidelijk dat het bij deze jongeren om meer gaat dan onbeleefd gedrag in de klas, spijbelen, slechte resultaten, conflicten met de leerkracht of het niet in orde zijn met huiswerk. Vaak hebben de ouders het niet breed, de vader is werkloos, er is geen geld voor nieuwe kleren, water- en elektriciteitsrekeningen kunnen nauwelijks tot niet betaald worden, laat staan dat er geld is voor een verre schooluitstap. De ouders zelf hebben meestal niet de scholing gehad om hun kinderen te ondersteunen bij het huiswerk, spreken niet voldoende Nederlands en begrijpen de brieven van de school niet. Ze kennen het verschil niet tussen BSO, TSO en ASO en zijn dus geen grote hulp bij de studiekeuze van hun kind. Zo verwachten sommigen dat de BSO richting ‘Kantoor’ hun kinderen de kans geeft om secretaris of zelfs advocaat te worden. Dat is niet realistisch. Deze gezinnen leven met velen in een kleine ruimte waardoor er voor de jongeren thuis geen ideale leeromgeving is. De affectieve band met de ouders is in vele gevallen verstoord. Het is dan ook niet verwonderlijk dat jongeren rondhangen op straat en daar een toevlucht zoeken bij leeftijdsgenoten. Het gevolg van dit alles is een laag zelfbeeld bij de jongeren. Ze zijn ontmoedigd door de uitzichtloze thuissituatie met ouders die niet zelden zelf ongelukkig en gedemotiveerd door het leven gaan. Dit weegt op het toekomstbeeld van de jongeren.
Kansarmoede wordt door beide joco’s gezien als de belangrijkste invloed op de situatie van de jongeren, ongeacht hun etnische achtergrond. Ze kampen met dezelfde problemen thuis, met hetzelfde uitzichtloze toekomstperspectief en met hetzelfde gebrek aan toegang tot middelen zoals internet, studiebegeleiding en vrijetijdsbesteding. Wat wel blijkt, is dat ouders van Vlaamse origine gemakkelijker de weg vinden naar hulverlening. Hoewel psychologische begeleiding in de taboesfeer blijft, voornamelijk en in sterke mate onder de jongeren zelf, is ook hier de stap voor ouders van Vlaamse origine sneller gezet. Een taalbarrière vormt natuurlijk een extra handicap bij huiswerkbegeleiding en het contact met de school en is een van de oorzaken van kansarmoede. Het merendeel van de jongeren die begeleid worden, zijn dan ook van andere origine. Maar meestal is er echter wel iemand in de familie die het Nederlands machtig is. Naar hulpverlening toe spelen onwetendheid en wantrouwen een veel belangrijkere rol.
Als joco moet je proberen aanwezig te zijn in alle milieus waarin de jongeren zich begeven. Dit betekent aanwezig zijn op school, in de wijk (op pleinen, in jeugdhuizen, in de moskee, etc.) en bij de jongeren thuis. Het gaat hier om drie sterk van elkaar verschillende leefwerelden. In elke wereld gelden andere regels, een andere ethiek en andere gewoontes. De jongere, in volle pubertijd, probeert zich daar een weg in te vinden, op zoek naar zijn eigen, veelzijdige identiteit. Dat dit tot misverstanden en conflicten leidt, is niet onbegrijpelijk. De taak van een joco is dan ook vaak de communicatie te verbeteren tussen die drie leefwerelden. Belangrijk is dat de jongeren hem zien als een pleitbezorger van hun belangen. Risicoleerlingen zijn vaak afgeknapt op conflicten met de school en andere instanties en hebben hun vertrouwen in volwassenen verloren. Daarom is de eerste en meest cruciale stap het vertrouwen winnen van de leerlingen. Dit begint op de speelplaats of buiten de school op het plein met het geven van een hand en het aanknopen van een informeel gesprek. Ook is het belangrijk om hen uit te leggen wie je bent en wat je wel en niet voor hen kunt betekenen.
Leerlingen spreken een andere taal dan de leerkrachten. De taal van de jongeren is vaak contesterend, uitdagend, grof en beledigend, maar vaak willen ze uiting geven aan iets anders. Ze contesteren tegen hun uitzichtloze situatie, tegen de discriminatie die ze tegenkomen en de verhalen die ze erover horen vertellen. Hierdoor gaan sommigen veralgemenen en zich niet meer thuis voelen in deze maatschappij.
De meeste leerkrachten komen uit meer gegoede gezinnen en zijn schoolgegaan naar de betere colleges. Ze worden in hun opleiding niet degelijk voorbereid op de confrontatie met kansarmoede. Ze zijn het niet gewend dat leerlingen zich assertief opstellen en voelen zich persoonlijk aangevallen. De voor de hand liggende reactie is autoritair optreden, maar vaak lijkt dit geen effect te hebben. Mohamed beweert echter dat als de leerkracht consequent is in zijn houding en een duidelijke structuur biedt, dit wel degelijk is wat jongeren nodig hebben. Structuur is nu net wat hen ontbreekt. Tegelijk moet de leerkracht proberen om de leerlingen zelfvertrouwen mee te geven en hen te helpen realistische toekomstplannen te maken. Men neemt vaak te snel represaillemaatregelen in plaats van eerst de leerlingen te begrijpen. Daarom is het belangrijk om de leerkrachten vertrouwd te maken met de achtergrond van de leerlingen. Wanneer een leerkracht inziet dat zijn leerlingen geen begeleiding krijgen bij het huiswerk en geen plaats hebben om hun huiswerk te maken, zullen ze minder huiswerk meegeven en meer taken maken tijdens de lesuren zelf. Maar ook de leerlingen moeten de situatie van de leerkracht leren begrijpen. Een leerkracht kan midden in de les niet ingaan op de noden van elke individuele leerling. Bovendien staat hij vaak voor 15 man waarvan er tien de les bemoeilijken. Hij moet zijn gezag bewaren en een leerprogramma afwerken. Les geven aan een gedemotiveerd publiek is geen lachertje. Niet zelden helpt het als je de jongeren aanspoort om pas na de les met de leerkracht te gaan praten.
Bij bemiddelingsgesprekken valt het echter op hoe beide partijen naast elkaar praten. Er ontstaat ruzie. jongeren beschuldigen de leerkracht van racisme, onrechtvaardig handelen en niet naar hen luisteren. Leerkrachten hebben het over een onaangepaste houding, een slechte opvoeding, agressie en verbaal geweld. Ze verwachten excuses en medewerking. Vaak hebben ze niet door dat ze zelf erg geprikkeld zijn en oncoöperatief staan tegenover de leerling. Het vraagt wel wat diplomatie om de school en vooral de leerkracht op hun aandeel in het conflict te wijzen. Leerkrachten hebben het moeilijk als ze op hun fouten gewezen worden, maar weten op zijn minst toch dat de leerling van goede wil is. Mohamed geeft het voorbeeld van een jongen die een C-attest kreeg vanwege vermeend wangedrag tijdens zijn stage. De interventie van de joco bleek tot een zinvol gesprek geleid te hebben. De verschillende partijen luisterden naar elkaar en begrepen elkaar. Belangrijk in dit verhaal is dat de leerling achteraf het gevoel had dat hij via Mohamed eindelijk had kunnen zeggen wat hij bedoelde. De school gaf alsnog een A-attest, maar wilde het risico niet lopen dat de jongen het volgende jaar niet meer zou . Maar de jongeman heeft zich kunnen verdedigen en is daardoor gemotiveerd geraakt. Het jaar daarop heeft hij weer zijn A-attest gehaald op een andere school.
Veel jongeren geven toestemming aan de joco om met de ouders te gaan praten. Ergens willen ze hun gedrag en hun situatie veranderen. De tussenkomst van de joco bestaat erin de ouders attent te maken op het gedrag van de jongere op school. Dit kan dan leiden tot bestraffing van de jongere. Niet zelden komt dit neer op een flinke pak slaag. Eén van de misverstanden die bestaan, is dat ouders niet geïnteresseerd zijn in de opvoeding van hun kinderen. Ouders willen wel maar voelen zich machteloos. Ze hebben vaak niet de middelen of de pedagogische kennis om hun kinderen te helpen. Daarom helpt de joco de ouders om alternatieve straffen te geven zoals een week geen tv of gsm, minder zakgeld, een voetbaltraining overslaan,... Wanneer een leerling het vervolgens goed doet op school, is het de taak van een joco om ook dit te communiceren. Ouders hebben die positieve bevestiging nodig en schoolagenda’s worden nu eenmaal niet consequent nagelezen.
Vele jongeren zijn zo gewend te ontsnappen aan de controle van hun ouders. De opvoeding wordt doorgeschoven tussen oudere broers of er ontstaat een situatie waarin de moeder het kind wil beschermen tegen de vader. Jongeren spelen dit soort situaties uit. Hier komt nog eens bij dat de jongeren reeds een hogere scholing hebben dan hun ouders. Het is moeilijk iemand te respecteren die minder weet dan jij en je niet kan helpen met je keuzes en beslissingen. Het is dan erg moeilijk voor ouders om hun gezag en respect terug te winnen.
In een poging de opvoeding van hun kinderen onder controle te houden, maken ouders vaak de fout te beschermend op te treden. Het is juist door het krampachtig beheren van de vrije ruimte van jongeren – dit gebeurt vooral bij meisjes – dat ze zich in een andere context gaan misdragen. Niet zelden komt het tot conflicten omdat de jongeren een heel ander ethisch denkpatroon hebben meegekregen op straat en op school. De ouders, vooral bij allochtone gezinnen, hebben hun eigen cultuur en waarden behouden. Jongeren willen voldoen aan de verwachtingspatronen van hun omgeving maar die liggen in de drie leefwerelden zo ver uiteen dat ze voor de jongeren moeilijk te verzoenen zijn.
Scholen hebben het probleem dat ze de ouders moeilijk kunnen bereiken. Vaak gaat de brief voor het oudercontact verloren of wordt door de jongere niet aan zijn ouders getoond. Ouders hebben niet de gewoonte om telkens in de agenda te kijken. Ze zijn van gsm-nummer veranderd of kunnen geen antwoordapparaat beluisteren. Een persoonlijk bezoek waarbij het belang van een oudercontact wordt uitgelegd, doet wonderen. De taalbarrière wordt omzeild door er iemand bij te halen die de twee talen spreekt en desnoods wordt er gebarentaal gebruikt.
Vaak is er al heel veel opgelost wanneer je de ouders en de leerkracht rond één tafel krijgt. Toch staan sommige ouders zeer argwanend tegenover de school. Op zo’n momenten wordt wel eens teruggegrepen naar de origine of het geloof als verdediging. Zo verhaalt Wim over een jongen die, uit schrik voor te strenge fysieke straffen thuis, zijn ouders voorloog. Hij had meisjes lastig gevallen, mensen bedreigd en leerkrachten beledigd. De ouders beweerden dat een goed gelovige als hun zoon nooit zo’n gedrag kon vertonen. De school zou rancuneus en racistisch zijn. Sommige gezinnen hebben al een paar tegenslagen meegemaakt op vlak van racisme en uitsluiting waardoor het moeilijk is om te onderscheiden wanneer ze wel of niet vanwege geloof en cultuur geviseerd worden. Kleine dingetjes zoals geen plaats vinden op de bus, zijn als speldenprikjes in het vertrouwen en versterken het gevoel geen gelijke behandeling te krijgen. Ze zijn op hun beurt bevooroordeeld. Dit zet mensen in een positie waardoor ze niet meer willen communiceren.
Mensen verschuilen zich achter hun religie of afkomst om hun problemen te compenseren. Daarom proberen Mohamed en Wim aan deze labeling voorbij te gaan en mensen te benaderen als volwaardige individuen met een veelheid aan achtergronden. Vele problemen hebben niets met religie of cultuur te maken en worden opgelost door het echte probleem bloot te leggen. Is bijvoorbeeld de taalbarrière het probleem of is de ouder niet consequent genoeg in het opvolgen van de schoolresultaten? Zo zijn ook de suikerziekte van een vader, zijn ouderdom, zijn gevoel van onmacht en het feit dat hij geen werk heeft, eerder oorzaken van een afwezigheid in die opvoeding dan zijn andere origine.
Jongeren zitten vaak met het gevoel dat ze gediscrimineerd zullen worden in hun werksituatie later. Dit ontmoedigt hen. Ze kruipen in een slachtofferrol. Daarbij komt dat het hen ontbreekt aan realiteitszin. Soms is hun studiekeuze te hoog gegrepen en niet in overeenstemming met hun capaciteiten. Maar meestal zijn de verwachtingen van een studie hoger dan wat die te bieden heeft. Als ze dan gaan solliciteren, komen ze voor verrassingen te staan. Vaak denken jongeren dat ze zonder diploma ook wel aan werk zullen geraken, maar ze beseffen niet dat dit dan gaat om lopende bandwerk, kuisen of magazijnwerk. Het is een vicieuze cirkel van tegenslagen. Deze doorprik je door hen duidelijk te maken dat zij uit deze situatie kunnen stappen door juist wel een opleiding te volgen.
Mohamed stelt dat het belangrijk is dat jongeren goede voorbeelden krijgen, specifiek naar allochtone jongeren toe. In die zin is Mohamed als Marokkaans-Belgische jonge man met een diploma, een wandelend tegenvoorbeeld van het negatief toekomstperspectief van de jongeren. Wim en Mohammed zijn geloofwaardige voorbeelden omdat zij zelf niet het ideale traject hebben gevolgd. Beiden hebben ze de school opgegeven en later besloten om toch hun middelbare schooldiploma te halen. Zij hebben beiden als werkstudent verder gestudeerd. Stel dat jongeren toch hun studies opgeven, dan proberen de joco’s hen te begeleiden naar middenjury, deeltijds onderwijs, tweedekansonderwijs of opleidingen bij de VDAB. Ook helpen ze jongeren met het opstellen van een cv en een sollicitatiebrief.
Ze beseffen dat hun werk slechts enkele jongeren bereikt. Maar stilaan komt er een mentaliteitsverandering bij leerkrachten en directies. Ouders worden meer betrokken bij het traject van de jongeren. Meer jongeren zitten langer op de schoolbanken. Dit zijn kleine maar noodzakelijke stappen wil je de kansarmoedeval van de jongeren doorbreken. Dit zal in latere generaties lonen voor de arbeidsmarkt en de draagkracht van de gezinnen die deze jongeren op hun beurt zullen oprichten. Wim geeft toe dat je met een A2 diploma geen garantie hebt op werk. Maar zelfs al heeft iemand geen werk, dan zal een diploma toch effect hebben op zijn of haar zelfredzaamheid. En dit is misschien nog belangrijker dan de vooropgestelde ultieme diploma-voor-werk doelstelling.
Tekst: Dieter Wijffels
Beeld: Steffie Bosmans