Illegale folterpraktijken door de VS: terreurverdachte Jumah al-Dossari aan het woord

“Alsof mensenrechten slechts een luxe voor goede tijden zijn.” (Irene Khan, secretaris-generaal van Amnesty International).

“I talked to the other detainees and said to them not to worry, the American government are good, they have respect for human beings and you are not going to be hurt.”
- uit de getuigenis van Jumah al-Dossari, vlak voor hij werd overgebracht naar Guantánamo Bay in Cuba in 2003.

Jumah’s getuigenis laat een heel ander beeld zien van de Amerikaanse regering dan hij zelf had verwacht. Op het moment van zijn uitspraak heeft hij nog de hoop dat zijn foltering in militaire gevangenissen eindelijk voorbij is. Na hard te zijn aangepakt in de gevangenissen van Afghanistan en Pakistan, ziet hij de Amerikanen als een verbetering. Hij weet nog niet dat het mensenrechtendiscours sinds 9/11 slechts nog lippendienst bewezen werd. Doorheen zijn getuigenis, opgetekend in 2005 en vrijgegeven in 2007, zal hij alleszins hardere woorden spreken.
Zijn getuigenis is belangrijk om te helpen het beeld van de Amerikaanse aanpak te reconstrueren. Er is iets grondigs mis met de manier waarop de War on Terror is gevoerd, zoveel is al lang duidelijk. Dit is het verhaal hoe Jumah al-Dossari het beleefd heeft. Zoals zovelen in Guantánamo en elders kwam hij terecht in hachelijke situaties die in deze tijd verwerpelijk zijn. Hij werd jarenlang vastgehouden als ‘terreurverdachte’ zonder ooit een officiële aanklacht te krijgen. Zijn getuigenis bevat misselijkmakende details over de folteringen in Guantánamo. Men hoeft niet eens de meest weerzinwekkende verhalen weer te geven om citaten te vinden die voor zich kunnen spreken. Zijn getuigenis laat ook zien dat er wel meer technieken zijn danwaterboarding om verdachten onnodig hard aan te pakken. Het voordeel van geheime gevangenissen is immers dat op geen slag meer of minder moet gekeken worden. Procedures die de rechten van de verdachte waarborgen zijn er niet of nauwelijks. Het begint al met de vlucht van Pakistan naar Guantánamo Bay in Cuba. Terwijl de meeste verdachten de mishandelingen van de Pakistaanse militairen nog niet te boven waren gekomen, werden ze door de Amerikanen op het vliegtuig gezet. “Ze bonden ons vast aan de ringen in de vloer van het vliegtuig, alsof we machines waren. Kettingen werden zeer strak tegen onze lichamen getrokken en met een zak over ons hoofd werden we voorover geduwd.”
En aangekomen in Cuba werd het er niet beter op. Uit zijn getuigenis blijkt dat hoewel hij ongeveer 600(!) keer is ondervraagd, er wel zeer weinig aandacht ging naar de vragen. Het merendeel van de tijd hielden de soldaten zich bezig met het uitdelen van slagen en het spelen van psychologische spelletjes. “Ik zei tegen hen: waarom folteren jullie mij, zelfs nog voor je vragen stelt? Wat wil je van me? Geef me papier en ik teken alles wat je maar wil. Een van hen antwoordde droogweg: ‘Welke foltering? Hier wordt toch niet gefolterd of geslagen?’” . Maar naast het fysieke geweld komt vooral de mentale vernedering sterk naar voren in zijn getuigenis. Zoals zovele lotgenoten kwam Jumah uit een vrome omgeving. Zo werd hij een gemakkelijk slachtoffer van seksuele en religieuze intimidatie. “De soldaten scheurden pagina’s uit de, door het Rode Kruis gebrachte, Korans om hun laarzen mee af te kuisen, of om de toiletemmers te ontdoen van alle uitwerpselen”. Ook moest hij zich in het bijzijn van vrouwen verplicht uitkleden en bepaalde posities innemen. Al snel gingen deze praktijken tot de routine behoren. Als gevolg reageerde hij zich af op zijn bewaker, wat weer aanleiding vormde voor nieuwe folteringen. Van een goede medische verzorging was helemaalgeen sprake. “Ik was er verschrikkelijk aan toe, dus ik zei hem dat ik een dokter wou zien. Hij keek me aan en zei: een dokter?! We hebben je hierheen gebracht om je te vermoorden.”
De getuigenis van Jumah laat zien dat er een systeem in voege was dat niet enkel door ‘rotte appels’ misbruikt werd. “Het waren niet enkel de soldaten die ons folterden, maar iedereen nam deel aan het systeem van psychische en fysieke foltering. Ook de dokters en verplegers, quasi iedereen deed zijn deel, met als vergoelijking dat het in de naam was van hun ‘ wet’”. Deze folteringen waren niet alleen wijdverspreid, ze waren tevens van lange duur. Jumah al-Dossari heeft deze terreur vijf jaar lang moeten ondergaan vooraleer hij in 2007 werd vrijgelaten in Saoedi-Arabië. Vanaf zijn arrestatie in 2002 is hem geen enkele aanklacht gemaakt. Toch hield men hem al die tijd vast. Ondertussen had hij al verschillende zelfmoordpogingen ondernomen en was hij één van de hongerstakers die in 2005 in het nieuws kwamen. Met deze actie wisten ze overigens een versoepeling binnen Guantánamo gedaan te krijgen. Het is mede hierdoor dat zijn getuigenis mogelijk is geworden. Jumah stond erop dat zijn verhaal de wereld werd ingestuurd zodat iedereen kon zien dat “dit is wat diegenen doen die opscheppen over beschaving, vrede en de wet”.
Veel Amerikanen hebben de laatste jaren in hun boezem gekeken. In opiniestukken allerhande worden stilaan de wetten verfoeilijkt die deze terreur mogelijk maakten. Met name de Patriot Act komt onder vuur, en dan vooral de manier waarop president Bush deAmerikaanse bevolking informatie achterhield. Door deze druk werd in 2007 en 2008 duidelijk gemaakt welke vormen van geweld toegestaan zijn aan de militairen. Maar ondanks deze hoopgevende evolutie behoudt Bush en zijn omgeving zich het voorrecht de internationale normen uit te hollen.
Amnesty International stelt een alternatieve aanpak voor om terrorisme te bestrijden. De organisatie bekritiseert de ‘politiek van angst’, die mensenrechten opgeeft wanneer de veiligheid van de staat bedreigd wordt. “Alsof mensenrechten slechts een luxe voor goede tijden zijn.” (Irene Khan, secretaris-generaal van Amnesty International). Amnesty gelooft dat de wereld alleen maar veiliger kan worden als ieders rechten gerespecteerd worden, en strijdt dan ook actief tegen illegale detentie. En dit niet enkel in Guantánamo. Landen als Afghanistan, Pakistan en Irak verlenen hierbij hun actieve medewerking. Maar ook de Europese lidstaten gaan niet vrijuit. Na de eerste uitroepen van onschuld in 2006, blijkt steeds meer dat de EU-landen weet hadden en hun toestemming gaven voor de transfers van gevangenen via de C.I.A.-vluchten. Naast het bekritiseren van anderen moeten we ook in eigen boezem durven zien. Spijtig genoeg reageren we vaak erg laat en moeten we behulp maken van getuigenissen als deze van Jumah al-Dossari om dit onder ogen te kunnen zien.

Amnesty Jongeren Antwerpen (AJA!) steunt daarom moederorganisatie Amnesty International in het bestoken van regeringen en het uitdragen van de boodschap. Wil je graag meehelpen en heb je interesse om zelf iets te doen voor deze en andere mensenrechten? Dit kan op een zowel informatieve als ludieke manier bij de Antwerpse jongeren- en studentenorganisatie. Contact via amnestyja@gmail.com en huidig voorzitter hansechelpoels@hotmail.com.



Tekst: Inge Goossenaerts en Nico De Winter (AJA!)