“Mijn man kan niet terug”, zegt ze. ‘Mijn man heeft problemen met de partij. Moesten we terug gaan, belandt hij misschien in de gevangenis, of zoniet erger...’
Een jaar nadat haar man op de vlucht ging, besloot Rosa hem met de kinderen achterna te reizen. Een man die beweerde dat hij een vriend was van haar echtgenoot, zou hen tegen betaling naar Europa begeleiden. Met valse paspoorten namen ze een vlucht naar een land in Afrika. Rosa weet niet in welk land ze terecht kwamen. Daar aangekomen, vroeg de man weer om geld, deze keer om hen naar Europa te brengen. “De man was verschrikkelijk”, kent Rosa me toe. “Hij wilde enkel geld en sloeg mijn kinderen en mij ook”. Maar ze had geen keus en moest hem volgen. Na een lange treinrit werden Rosa en de kinderen afgezet in Brussel. “Dit is België”, zei de man, en liet hen daar achter.
Ronddolend in de stad, niet wetende wat gedaan, kwam Rosa een man tegen die haar taal sprak en hen verder hielp. Zijn vrouw raadde hen aan om asiel aan te vragen. Ze brachten Rosa naar de dienst dispatching van Fedasil, het federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers, die haar doorverwezen naar een klein gesloten asielcentrum waar ze moest verblijven tot men een besluit had genomen of ze al dan niet in het land mocht blijven. Na vier maanden werd haar eerste aanvraag afgewezen, waarna ze een tweede aanvraag indiende die na twee jaar ook negatief uitdraaide. Ondertussen woonde Rosa met haar gezin reeds in een sociale woning. Ook een derde aanvraag werd na ontzettend lang wachten afgekeurd. Ze zouden eigenlijk terug naar Libanon gestuurd worden, was het niet dat de nieuwe wet rond regularisatie hen de mogelijkheid bood om toch in het land te blijven. Een laatste hoop waarvan Rosa en haar familie de uitkomst nog steeds aan het afwachten zijn, ditmaal in een open asielcentrum.
“Ik snap niet dat het allemaal zo lang moet duren”, zegt Rosa. “Wij moeten altijd maar wachten en wachten en ondertussen gaan mijn kinderen hier naar school. Mijn jongste kind is hier geboren. Wij spreken allemaal Nederlands.” Ik ben inderdaad verbaasd over haar kennis van het Nederlands die ze blijkbaar in twee jaar tijd heeft opgedaan. Ter verklaring vertelt ze me dat ze in Libanon leerkracht Engels is geweest, een baan die ze maar al te graag opnieuw zou uitoefenen.“Mijn man zoekt hier werk, maar hij mag niet omdat hij illegaal is. Hij is het thuiszitten beu. Hij voelt zich een vrouw. Een man is niet gemaakt om thuis te zitten. Dan hij wordt onrustig.”
“Het leven is niet gemakkelijk in een asielcentrum”, bekent Rosa. “De mensen zijn ontzettend vriendelijk voor ons, maar we wonen hier met te veel. Je hebt geen privacy. Wij wonen met zeven in één kamer. De kinderen moeten gaan slapen om negen uur en willen dan dat de televisie wordt uitgezet en het licht wordt gedoofd, maar ik wil dat niet. Ik wil nog tv kijken en steeds wordt daar ruzie over gemaakt. Vaak vallen de kinderen pas in slaap om middernacht. We hebben ook maar zes bedden voor zeven man. De kleinste slaapt bij mij.”
Het was nooit de bedoeling van Rosa en haar familie om weg te lopen uit Libanon. Het waren de problemen daar die hen tot die beslissing dwongen. Ook hadden ze niet gedacht in België terecht te komen en al zeker niet in een asielcentrum. Wat ze wilden was een veilig bestaan, elders. Een plek waar ze een gelukkig leven zouden kunnen opbouwen, weg van alle problemen die de partij in Libanon veroorzaakt.
“Ik hoop op een goed leven voor mij en mijn kinderen. Moordenaars hebben een nationaliteit,
ik niet. Ik heb geen wapens, ik ben hier niet gekomen om een oorlog te starten. Ik heb kinderen, ik ben op zoek naar een goed leven. Ik wil niet veel, alleen dat.”
Rosa’s familie in Libanon is rijk. Haar vader stort bijna alle drie maanden geld voor de kinderen maar ze weten ginder niet dat zij hier in het centrum zitten. “Mijn moeder zou dat niet aankunnen”, zegt Rosa. “Ik zeg hen dat ik een goed leven leidt”.

Tekst: Veerle Doossche
Beeld: Philippe Smet