Migratie en ontwikkelingssamenwerking. Zijn onze migrantengemeenschappen te vaak genegeerd geweest?

“Allochtonen willen ook een deel van de koek!” (Fauzaya Talhaoui)

Migratie en ontwikkeling. Wie zich louter baseert op de publieke beeldvorming zou kunnen denken dat deze twee begrippen onderling niet te rijmen vallen. Beelden van gesloten asielcentra, hongerstakingen en gedwongen repatriëringen, … roepen niet meteen ‘ontwikkeling’ op. Migratie is dan ook veel meer dan alleen vluchtelingenproblematiek. Overigens, ooit stond onze publieke opinie veel positiever tegenover migratie. In de jaren 1960 werden onze Marokkaanse en Turkse gastarbeiders met open armen ontvangen. Met hun arbeid zwengelden ze de Belgische economie aan, en tegelijkertijd ontsnapten duizenden migrantenfamilies aan de armoede in hun eigen land. Migratie en ontwikkeling waren hier onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat veranderde echter snel. Sinds de jaren 1980 verschoof het accent in het politieke en maatschappelijke debat van ontwikkeling naar de integratie van de migrantengemeenschap in onze samenleving. Die integratie verliep echter niet altijd even vlot en al snel werd migratie als een probleem beschouwd. Hierdoor hebben we bijvoorbeeld rond ontwikkelingssamenwerking heel wat kansen laten liggen. Nooit werd de Marokkaanse diaspora ingeschakeld in de Belgische ontwikkelingssamenwerking met Marokko. Hierdoor is men heel wat expertise en bereidwilligheid misgelopen. Op 20 december 2008 vond op de Universiteit Antwerpen (UA) de internationale conferentie ‘De Marokkaanse diaspora: bruggenbouwers voor ontwikkeling’ plaats. ‘De conferentie wil zonder meer de Marokkaanse gemeenschap actief bij het ontwikkelingsverhaal betrekken’, zo melden Luc Goossens en Fauzaya Talhoui, verbonden aan het departement Sociologie van de UA en initiatiefnemers van de conferentie.

Luc Goossens en Fauzaya Talhaoui

Voor de conferentie werken jullie samen met verschillende actoren uit het middenveld, uit de academische en uit de politieke wereld. Blijkbaar bestaat er een brede wil om eens samen te zitten rond dit thema?

Talhaoui: ‘Marokko is de vijfde partner van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. België is tot vandaag vooral actief in het zuiden van Marokko, waar het onder meer heel wat waterprojecten ondersteunt in de strijd tegen de verwoestijning. Het noorden staat echter ook voor heel wat uitdagingen, voornamelijk omdat de armoede er zo wijdverspreid is. De Belgische gouvernementele en niet-gouvernementele ontwikkelingsactoren hebben er maar weinig aandacht voor, en dat is een gemiste kans. De meeste Marokkaanse Belgen zijn namelijk afkomstig uit het noorden van Marokko. Zij keren er ook regelmatig terug want ze onderhouden nog sterke banden met hun regio. Met het geld dat zij regelmatig opsturen naar hun familie engageren ze zich al binnen een soort informele, niet-gecoördineerde vorm van ontwikkelingssamenwerking. Maar waarom kunnen we hen niet inschakelen bij de reguliere ontwikkelingsacties? Zij bezitten namelijk heel wat kennis en expertise en ze geven blijk van een grote wil om hun regio te helpen ontwikkelen. In het budget van de Belgische ontwikkelingssamenwerking zit trouwens heel wat geld. De Marokkaanse Belgen willen nu ook ‘een deel van die koek’. En hoewel me dat meer dan logisch lijkt, toch geloof ik niet dat de shift naar ontwikkelingssamenwerking evident is voor een gemeenschap die tot nu toe noodgedwongen vooral bezig was met integratie en emancipatie.’

Moet de Marokkaanse diaspora zich dan niet blijven concentreren op integratie? We zien vandaag toch nog heel wat samenlevingsproblemen?

Goossens: ‘Als we ontwikkelingssamenwerking bij de Marokkaanse gemeenschap introduceren, willen we integratie niet naar de achtergrond verschuiven, wel integendeel. We zien hun participatie binnen ontwikkelingssamenwerking namelijk net als een hefboom tot integratie. Willen we een succesvolle kruisbestuiving, dan moet daaraan, realistisch gesproken, een grondige dialoog voorafgaan. Vanuit de Marokkaanse verenigingen merken we een groot enthousiasme voor toenadering. Bovendien geven de Vlaamse NGO’s dan weer te kennen hun werkingen te willen interculturaliseren.’

Hoe zien jullie de plaats van de Marokkaanse gemeenschap in onze samenleving evolueren?

Talhaoui: ‘Voor de derde generatie is de band met Marokko helemaal niet meer zo evident als voor de eerste en tweede generatie. De kinderen van mijn broers bijvoorbeeld, lijken mij ondertussen eigenlijk gewoon ‘Belgen’. Dat betekent niet dat zij nooit meer naar hun roots zullen terugkeren. Overal ter wereld zien we inderdaad dat allochtone gemeenschappen blijvend interesse tonen voor hun regio van oorsprong. Het lijkt me ook daarom dus een goed idee om de banden met Marokko te blijven onderhouden.’

Goossens: ‘De integratie in België hoeft niet ten koste te gaan van het Marokkaanse identiteitsgevoel. Het ene sluit het andere niet uit. Wie formeel twee nationaliteiten heeft, en zich integreert in een welbepaald land, pleegt geen 'verraad' tegenover de andere nationaliteit. Zeker niet in een geglobaliseerde wereld. De Marokkaanse Belgen zullen zich nog lang onder meer ‘Marokkaan’ blijven voelen.’

Een geslaagde conferentie

Luc en Fauzaya kunnen met tevredenheid terugblikken op hun conferentie. Ze mochten maar liefst driehonderdvijftig deelnemers verwelkomen. Rector Alain Verschoren beet de spits af en legde uit hoe de conferentie een vrucht was van het partnerschap tussen de Universiteit Antwerpen en de Université Mohamed I in Oujda. Al enkele jaren lang werken beide universiteiten rond migratie. De rector onderstreepte dat de UA, mede omwille van het partnerschap, al heel wat expertise heeft opgebouwd rond migratie. Verschillende sprekers uit de politieke en academische wereld droegen stuk voor stuk het initiatief een warm hart toe. Zo ook Vlaams minister voor cultuur Bert Anciaux die de Vlaams-Marokkaanse toenadering in zijn beleid met allerlei initiatieven een sterke impuls heeft gegeven. De minister pleitte in een geëngageerde toespraak voor een Vlaanderen dat de Marokkaanse gemeenschap toelaat zich ‘Vlaams’ te voelen. Tijdens de namiddag vonden er verschillende werkgroepen plaats die met groot enthousiasme werkten rond de thema’s jongeren, vrouwen, economie en ontwikkelingssamenwerking. Dat enthousiasme werd opgemerkt door de Marokkaanse delegatie die speciaal voor de conferentie was overgevlogen. De Marokkaanse minister bevoegd voor Marokkanen in het buitenland was zichtbaar onder de indruk. Hij kon maar niet zwijgen over hoe ‘émerveillé’ hij wel was met dit initiatief. In zijn slottoespraak beweerde hij bij zijn landgenoten in het buitenland zelden zoveel hoop en enthousiasme gezien te hebben. Hij was vooral onder de indruk van het feit dat een academisch initiatief ook zoveel migranten uit alle sociale lagen en leeftijdscategorieën kon begeesteren.



Tekst: Janus Verrelst
Beeld: Kristof Van Accom